Het Gedichtenboek van Engbertus Jacobs
onderwijzer in Amsterdam van
ca. 1760 - ca. 1800



Index



blz. 1, Nieuwjaars Wensch
blz. 3, Op 't Eerste Kruiswoord
blz. 5, Op 't Tweede Kruiswoord
blz. 7, Op 't Derde Kruiswoord
blz. 9, Op 't Vierde Kruiswoord
blz. 11, Op 't Vijfde Kruiswoord
blz. 13, Op 't Zesde Kruiswoord
blz. 15, Op 't Zevende Kruiswoord.
blz. 17, Paasschen
blz. 19, Hemelvaard
blz. 21, Pinkster.
blz. 22, Herdenking wegens 't Jaar 1781
blz. 23, Kermis
blz. 25, Kers - tijd
blz. 27, Op de Belijdenis Predikatie
blz. 29, Op de Voorbereiding
blz. 31, Op 't Heilig Avondmaal
blz. 33, Na het Heilig Avondmaal
blz. 35, Op de buiten-gewoone Sterfte, in 't Najaar A. 1780
blz. 37, Op 't Overlijden van Ds R:Perizonius Oud 66J. 7m 11d
blz. 39, Op de Afscheids Predikatie van Ds.Nahuys in de Nieuwe K 11 April 1781
blz. 41, Op de dood van Professor Gerard Johan Nahuys Overleden 9-10-1781 Oud Jaren MD
blz. 43, Op de buiten - gewone Zomer Sterfte in't Jaar 1782.
blz. 44, Nu volgen Tien Bedestonden gehouden in den Engelsen Oorlog
blz. 45, Eerste Bedestond Woensdag 5 Juny 1782
blz. 47, Tweede Bedestond Woensdag 3 July 1782
blz. 49, Derde Bedestond Woensdag 7 Augustus 1782
blz. 51, Vierde Bedestond Woensdag den 4 September 1782
blz. 53, Vijfde Bedestond Woensdag 2 Oktober 1782
blz. 55, Zesde Bedestond Woensdag den 6 November 1782
blz. 57, Zevende Bedestond Woensdag den 4 Xber 1782
blz. 59, Agste Bedestond
blz. 61, Negende Bedestond Woensdag 5 February 1783
blz. 63, Tiende of Laatste Bedestond Woensdag 5 Maart 1783
blz. 65, Op Neerlands Bedendag Den 27 April 1785 zijnde in Oorlog met den Keizer
blz. 67, Op de Catechisatie
blz. 69, Op de Binnenlandse Onlust van 't Jaar 1786
blz. 71, Op de Amsterdamsche Kermis des zelven Jaars
blz. 72, Bedenking
blz. 73, Op Neerlands Bedendag Woensdag 28 Maart 1787
blz. 75, Gedachte op de Dood van KATHARINA DE MUNNIK Huisvrouw van Hendrik Mumkes
blz. 77, Op de Beeldenis van CAREL WILLEM FERDINAND Hertog van Brunswijk Neêrlands Verlosser
blz. 79, Op dat van der Pruissen Koning
blz. 81, Illuminatie Vaers Den 8ste Maart 1788
blz. 83, Op Neêrlâns Bedendag Woensdag den 19 Maart 1788
blz. 85, Op den aangename Regen van Saturdag 17 May 1788
blz. 87, Op de zwaare Regen
blz. 89, Op den Orcaan
blz. 91, 't staat bij mij vast want, Dat 't Ongeluk op Amstels Y
blz. 93, Op de Illuminatie van Neêrlands Debora, 7 Aug: 1788 Æ 37
blz. 95, Op de Beroeping van den Weleerwaarde Heer D. ten Dall den 22 April 1788
blz. 96, Op zijn Wel E. Bevestiging 24 Aug 1788
blz. 97, Op de Amsterdamsche Kermis van 't Jaar 1788
blz. 103, Kermis - vermaaning
blz. 104, Kan de zotheid U bekoren
blz. 105, Ter 40ste Verjaaring van mijn Echt - genoot 12 sept 1788
blz. 107, Op de Dood van Hendrik Godfried
blz. 109, Het vroor vrij straf
blz. 111, Overweeging
blz. 113, Kinder Bede
blz. 115, Op de Tijdverquisting
blz. 117, Op het Misbruiken van Gods Naam
blz. 119, Aandacht op de Huis Klok
blz. 121, Op het Grav - schrift van Ds Hamerster
blz. 123, Na - herdenking op de Cathechisatie van de Straffe der Zonden
blz. 124, Jongeneels Vaers
blz. 125, Op Neêrlands Bédendag Woensdag 18 Maart 1789
blz. 127, Op 't Overlyden van Ds J.Tyken 24 April 1789 oud ruim 83 Jaaren
blz. 129, Op de Herstelling van mijn Vriendin
blz. 131, Aanmerking over Job 22 : 21
blz. 133, Aanmerking over Prov: 8 : 17b
blz. 135, Aanmerking over Prov : 23 : 26
blz. 137, Aanmerking over Pred : 12 : 1.
blz. 139, Aanmerking Over Luk : 18 : 16 verg. Math : 19 : 14 en Marc : 10 : 14
blz. 141, Op 't Godzalig afsterven van Aavje Boelen
blz. 143, Op de Zelvde
blz. 145, Op den Arm - bossen - dag
'blz. 147, t Oplettend Oog van mijn Vriendien,
blz. 149, Hij die hier 't zondaars kermen kiest
blz. 151, Met Jacob dan in 't Wo(r)stelperk
blz. 153, Aanmerking
blz. 154, De Sullebaan*
blz. 155, Dank - betuiging aan mijne Kinderen voor Hunne Verjaaring
blz. 156, De Sneeúw - bal
blz. 157, De Kinderen aan Hunne Moeder
blz. 159, De Man aan de Vrouw
blz. 161, Op Zondag 33
blz. 163, Op het voorige
blz. 164, Toeroeping
blz. 165, Op de Dood van Gerrit Vogel
blz. 167, Op de Amsterdamse Kermis van 't Jaar 1789
blz. 169, Vraage
blz. 171, Aanmerking op Frankrijks Rumoer.
blz. 173, Aan mijne Vrienden
blz. 175, Een Vriendin aan haar Vriend in Christo
blz. 177, Sabbath - schending
blz. 179, Op de Intré Predikatie van Do.DERMOUS 11-11-1789
blz. 180, Graf - Schrift op Do HAMERSTER door M Jongeneel
blz. 181, Vaderlijk Verjaardicht
blz. 183, Aan mijn Oudste Dochter
blz. 185, Op het Bevestigings Werk
blz. 186, Strijd Waarde Haack voor Jezus zaak
blz. 187, Op de Intré - Predicatie van Do Haack 25-11-1789
blz. 189, De tijd weet van geen Wederkeeren
blz. 191, Het Vroome Volk is hier hun lot.
blz. 192, Een Nieuw Jaars dichtje voor een mijner Dicipelen
blz. 193, Een dito Voor een andere Discipel
blz. 194, Ter 16e Verjaring van mijn Dochter ELISABETH JACOBS
blz. 195, Aan mijn Jongste Dochter
blz. 196, Op het Godzalig Sterven van Joost van der Vlist te Benschop 1790.
blz. 199, Zij was vol Moeds in dit geval;
blz. 201, Als JEZUS 't Hert met Licht bestraaldt,
blz. 203, Nu nu verlustigd zich mijn Vrind,
blz. 205, Dees* dag die sluit de kring van Vijf en twintig Jaar.
blz. 206, Lied ter Eere van JEHOVAH
blz. 211, Eerwaardig Heer en Vrind
blz. 217, Een Vriendinnetje E.J. aan Haar Vriendinnetje A.G.D.B
blz. 218, Echt - verbintenis van den Heer B. Hageman en Mejufvrouw G. Brok 5-7-1790
blz. 221, Bosscher in Vier dagen tijd
blz. 222, ter 20ste Verjaaring van mijn Zoon ENGELBERTUS JACOBS
blz. 223, Op de Herstelling van E K.
blz. 225, Aan mijn Vriend (M) Jongeneel
blz. 227, Op 't Vorstelijk Bezoek
blz. 228, Ter Zilveren Bruiloft van mijn Vriend Cornelis Hilbrink & Vriendin Anthonia van Beek Voorgevallen den 6de van Slagtmaand 1790
blz. 230, Voorjaar - dicht
blz. 231, Vaderlijk Verjaardicht aan mijn Zoon
blz. 235, Aan Mijn Oudste Dochter
blz. 238, Per 73ste Verjaring van mijne Schoonmoeder Johanna Lette,
blz. 244, Aan mijne Jongste Dochter. (Elisabeth Jacobs)
blz. 245, Aanmerking Over Math : 5 : 4.
blz. 247, Op de zware mist,
blz. 249, Op de genezing van den Heer K..
blz. 251, Op den Watervloed Woensdag 2 February 1791.
blz. 253, Al heet men al Gereformeerd,
blz. 254, Ter 15de Verjaaring van Mejufvrouw Aleida Gesina De Bull
blz. 256, Van mijne Jongste dochter (Elisabeth Jacobs) aan dezelve.
blz. 257, Op de Afbranding van 's lands Zeemagazijn in den nacht tusschen den 5den en 6den July 1791.
blz. 259, Op de Herstelde Lutheranen
blz. 261, Sluitvaers. bij de laatste Catechisatie in 't jaar 1791.
blz. 263, Op de prediking als Student te Sloterdijk, door mijn vriend H.Jongeneel,
blz. 265, Hebt gij lust tot waar geluk?
blz. 267, Heeft uw zonden - lievend hert
blz. 271, Die oogen heeft en gadeslaat
blz. 273, Vrage.
blz. 275, Hoezeer de Duivel knerssetand,
blz. 277, Deez avond vijfde Bedestond:
blz. 279, Hebt gij lust om God te vreezen?
blz. 280, Op de Bevestiging en Intrede van Den Wel. Eerw.Heer H.Jongeneel
blz. 284, Ter 17e Verjaaring van Mejufvrouw ALIDA GESINA de Bull
blz. 286, Bij mijns Vaders Wensch in deezen
blz. 287, Het Uur geschikt tot Bedestonden,
blz. 289, Justus Mey, uw Schoolgenoot
blz. 290, Tiende Bedestond 3 July 1793.
blz. 291, Graf Schrift
blz. 292, Twaalfde Bedestond Ultimo July 1793.
blz. 293, Den 7de Augustus 1793
blz. 295, Van den Avond weer een Dankens - Stond
blz. 297, Hersteld roemwaardig Lutherdom,
blz. 299, Wierd Gij Heer ROOS! zo door den dood
blz. 301, Dat Amstels Raad de Spellen hindren,
blz. 302, Op de Echtverbintenis van Dirk Bodekamp en Helena van der Bogt
blz. 305, Wy, voor de Zeventiende keer,
blz. 307, Mijn Vriend Gij zijt nu afgelost,
blz. 309, Een Hemelvaard is 's Vroomen dood
blz. 311, Mijne Discipelen
blz. 313, Dank vast en Bedendag Woensdag Den 26ste February 1794.
blz. 314, Ter 18e Verjaaring van Mejufvrouw A.G.de Bull
blz. 315, Dat 't avond werk mag Bidden heten
blz. 317, Klink - dicht
blz. 319, Op de Extraordinaire Bede - dag
blz. 321, Beandwoor HEER de smeek gebeen!
blz. 323, No 1 't Geloof veracht en List en Magt.
blz. 325, Dit jaar geen Spel, geen Kraam, geen Vreugd?





p.1
Nieuwjaars Wensch
God geevd U dat ge in’t Nieuwe Jaar,
Zijn Vrij’ Genade werd gewaar
O Jeugd ! bedenk dat Jezus Geest
Gezogt moet worden allermeest

top

p.2
Jezus Lijden,
kan ons bevrijden.

p.3
Op ’t Eerste Kruiswoord.
Als Heilig Mensch bragt Jezus voord,
Een* Beê aan ’t kruis: dan wierd gehoord,          * Luc 23:34
Dat Hij hier niet als Borge bad,
Zo als veel al werd opgevat.
Het eerste woord aan ’t kruis dat was
dat biddend spreken,
Voor Zijn vervolgers dat God hun
niet wilde wreeken.

top

p.4
Christus stem,
heeft kragt en klem.

p.5
Op ’t Tweede Kruiswoord
Het *Tweede woord, Vrouw ziet Uw Zoon          * Joh.19 : 25 - 27
Was tot zijne Moeder aan het kruis.
Zoon ziet Uw Moeder deed Haar woon
Terstond bij Johannes in Huis.
Door ’t Tweede Heilands woord, gesprooken aan ’t kruis
Nam de Discipel van die uur aan Haar in Huis.

top

p.6
Die bekeerdt stervt,
den Hemel ervdt.

p.7
Op ’t Derde Kruiswoord
Den Heiland sprak de derde reis,
Aan ’t Kruis * tot eenen Moordenaar:          * Luc: 23 : 42/43
Dat hij met Hem in ’t Paradijs
Zou zijn, als hij gestorven waar;
Het derde woord aan ’t Kruis was
tot den Moordenaar;
Dat hij zou zalig zijn bevestigd,
met Voorwaar.

top

p.8
Zielen – angst
valdt het bangst.

p.9
Op ’t Vierde Kruis - woord.
Het * Vierde Woord - O! bange stem           * Matth. 27:46
Van ’t Hout des kruises - laat ons vreezen:
Hou schriklijk doch, als men van hem
Voor eeuwig zal verlaaten wezen.
Leer uit het Vierde Woord o Mensch! wat ’t is te zeggen.
In een verlatenheid van God eeuwig te leggen.


p.10
Dorst Gij voor mijn?
O! Heil Fontijn!

top

p.11
Op ’t Vijfde Kruiswoord
*Mij dorst dit was het Vijfde woord *Joh 19 : 28
Dat van den Heiland wierd gehoord.
Aan ’t Kruis die Ziel die na hem smagt,
Ontvangd des Levens – water kragt.
Mij dorst, als ’t Vijfde Woord aan ’t Kruis;
en Eêk gegeven
Aan hem zo wierd vervult dat van hem was *geschreven          *Ps: 69 : 22.

p.12
O! woord van kragt
het is volbragt.

top

p.13
Op ’t Zesde Kruis - woord
’t Was ’t Zesde Woord dat Jezus sprak,
Zo even voor Zijn Hert aer brak,
Het is volbragt op Golgotha.
Looft nu den Heer Hallelujah.          Joh: 19:30
Hoor ’t Zesde woord Gods Volk aan’t kruis, op Golgotha
Het is volbragt, zeg nu Amen Hallelujah.

p.14
Jezus gestorven
’t Heil is verworven.

top

p.15
Op ’t Zevende Kruiswoord.
Het Zevende of Laatste woord,
Dat van den Heiland wierd gehoord,
* Beval hij Zijnen Geest Zijn Vader,          * Lucas 23:46
En daarop brak Zijn Levens-ader
Vader in Uwe Hand, beveele ik mijnen Geest.
Dit is het Zevende of Laatste woord geweest.

p.16
Mogt Jezus leeven,
U ’t leeven geeven.

p.17
Paasschen
Jezus deed de Aarde en Steenrots * beeven,          * Matth. 28:2.
Ten derde dag, toen Hij opstond.
Hij geeven U door Zijn leeven ’t leeven,
Zo is Uw Hoop op Hem gegrond.
Der Christenen Geloof staat dus op zeek’re gronden:
Was Hij niet opgewekt, Zij bleven in hun Zonden.          * 1 Cor. 15:17

top

p.18
Dat uw gewemel,
zij om den Hemel.

p.19
Hemelvaard
Wild gij ten Hemel gaan o Jeugd
Betreed dan hier de Hemel paden:
Bij JEZUS is daartoe genaden,
Daar gij ook vrij om bidden meugd.

Ai Kinderen! denk, denk dat de paden
Van Uw Natuur zijn, kwaad en boos,
En dus uw Naam is Goddeloos;
Maar als Uw Hart door Gods genaden
Verandert werd, dan is’t gewis,
Dat Gij zult zijn daar JEZUS is.

top

p.20
Bid om den Geest,
op ’t Pinksterfeest.

p.21
Pinkster.
Dat ’t Pinkster-vuur ook op U daal,
Gods Geest U met zijn licht bestraal,
Wensch ik, dat op den Pinksterdag
Q! Jeugd! U t’zaam gebeuren mag.

Mogt JEZUS Geest ook nederdalen
In’t hart van U o ted’re Jeugd!
Die Geest bewerkt tot ware vreugd,
En doet Genaden Zegelpraalen;
Ontdekt van Schuld en van den Borg,
Werkt het Geloof, Het zij uw Zorg.

top

p.22
Herdenking wegens ’t Jaar 1781.
Juist op den tweeden Pinksterdag,
Ontmoete mij een droeve Slag,
De dood nam weg mijn jongste Kind,
MARIA (Jacobs), van mij teer bemind.

top

p.23
Kermis
Ik raade U Edle Jeugd laat U toch niet verleiden
In deeze Kermis-tijd, de Duivel loert op U.
Hij zal eene wijle tijds zijn Netten voor U spreiden,
Maar JEZUS eischt Uw Hart, ik bid U geef het nu.

Vergaap U aan geen Ydelheden,
Bedenk o Jeugd uw tijd is kort:
Haast kond gij worden afgesneden
En zo Gij niet verandert word
Door Gods Genaâ, zo moet Gij derven
Hier na de Wezendlijke Vreugd;
En onverzoend met God te sterven,
Zal wat te zeggen zijn o Jeugd.

top

p.24
In Beth’lems stal daar vind Gij ’t Al

p.25
Kers - tijd
Beth’lems stal dat was de woning
Van den Grooten Hemel Koning
Daar de Heer der Heerlijkheid
In een Kribbe wierd geleid.

Tot Besluit

Dit Jaar is haast weer weg gevaren;
Hoe snel o Jeugd! vervliegd de Tijd:
God wilde U nog bij ’t leven sparen,
Daar veele al zijn naar de Eeuwigheid:
Erkendt dit toch - maar tevens denkt
Ook dat de Dood elk Uur U wenkt.
Mogt God U geeve,
Geest’lijk leeven

top

p.27
Op de Belijdenis Predikatie
Die Waarheid zonder Waarheid leerd
En Waarheid niet bepraktizeerd,
Komt nooit schoon hij ZigZelve vlijd
Op die Wijs tot de Zaligheid.

De Waarheid slechts alleen maar mondeling gedaan,
Dat maakt geen Christen uit, ach! wierd die regte verstaan.

top

p.28
De Heere voed
’t bereid Gemoed.

p.29
Op de Voorbereiding
Zoek dat Uw Herte word bereid,
Zult gij aan ’s Heere tafel gaan:
Het Kleed dat JEZUS aan zal staan,
Dat s’eenig zijn geregtigheid

In Stille eenzaamheid bedenk Uw staat en Wegen,
En hoe door JEZUS dood de redding word verkregen.

top

p.30
Hier aan Uw disch
een Zondaar is

p.31
Op ’t Heilig Avondmaal
Hier zit een Zondaar aan uw disch,
Die de allergrootste Snoodaard is:
Heer Jezu wil geloove geven,
Dan grijp ik naar Uw heil ten leven.

Jezus Antwoord

Hoe zwaar uw Schuld ook zij, hoe gruwzaam ge ook moogt wezen,
Laat los o Ziel! gelooft, Mijn heil zal U genezen.

top

p.32
In Jezus is
Ziels lavenis

p.33
Na het Heilig Avondmaal
Geef Heer! dat ‘k die Verzegeling
Die ik door ’t Sacrament ontving
Van uwe Zondaars liefde en trouw
Gedurig door ’t geloof beschouw.

Jezus antwoord

Vertrouwt gij U geheel aan Mij
Gelooft dan Ziel! dat ik U zij
En Zaligmaker, die U nimmer zal begeven
O Houd toch maar altoos onder ’t oog,
Dat Vrije Liefde mij bewoog,
Om Zondaars, (dus ook u) te schenken ’t Eeuwig leven.

of de 4 laatste regels aldus.

Een Heiland die U leid naar ’t Eeuwig zalig leven.
‘k heb zelfs toen ‘k in mijn laatste nagt,
Dit Zegel gaf aan U gedagt,
En daarom houd maar moed. Ik zal U nooit begeven.

p.34
Denk dat de dood
treft klein en groot

top

p.35
Op de buiten-gewoone Sterfte, in ’t Najaar A. 1780
God slaat in deeze onse dagen
Door Sterfte een gedugte slag
Veel ziet men thans ten grave dragen
Die men nog pas voor ogen zag.

Gods Oordeel

Wie zal niet voor Gods Oordeel beven?
Daar zo veel Menschen gaan naar ’t graf.
Merk op o Jeugd! vreest voor Gods straf,
Eer God een eind maakt aan uw leven.
Bekeer U, want de dood (dit denkt)
Ook ieder Oogenblik U wenkt.

top

p.36
De dood ontziet
den besten niet

p.37
Op ’t Overlijden van Ds R:Perizonius Oud 66J. 7m 11d
Den Man Gods PERIZONIUS
Die stierf, ach! - na dat Hij dus
Als trouwe Leraar de Amstelschaar
Verlicht had een en dertig jaar (29-1-1781)

Graf Schrift
Hier rust het sterflijk deel van PERIZONIUS
Die Groote Man was door Gods geest verlicht, aldus;
Dat Hij de regte slag had om Gods wet te preeken;
En door ’t Evangelie het hardste Hert te breeken
Hij ’s nu bij JEZUS in het hooge Hemelhof
Die altoos is geweest de inslag van zijn stof.

top

p.38
Uw afscheids reên
die baardt geween.

p.39
Op de Afscheids Predikatie van Ds.Nahuys in de Nieuwe K 11 April 1781
Heer NAHUYS Gods Souvraine wil
Maakt wegens uw vertrek ons stil
Ga dan ja ga, verlichte geest,
Gij zijt hier niet onnut geweest.

Wij wenschen U geluk O! Leiden,
Met onze Nahuys dit Juweel,
Dat nog geen driee jaar ons ten deel
Viel, zal deez’dag nu van ons scheiden;
God zeeg’ne Zijn Professoraat
Tot Hij NAHUYS toe henen gaat.

top

p.40
Laat zijn Gods wil
uw wet, zwijg stil

p.41
Op de dood van Professor Gerard Johan Nahuys Overleden 9-10-1781 Oud Jaren MD
Wat zwaare slag voor Neerlands kerk.
De dood die eindigd NAHUYS werk,
Zijn Vrouw ging voor Hij volgde Haar
NAHUYS, ik meen bij de Englen schaar.

Nimmermeer ….zwijg….ga niet verder
Allerwaardste! Gij verdween
Hoe heerlijk Gij o Zon! ook scheen!
U missen wij, gelievden Herder!
Y Stad zwijg ja, Gij ook Leiden,
Stel ’t doorzoeken aan een Zijde.

top

p.42
In Godes hand
is Volk en Land.

p.43
Op de buiten – gewone Zomer Sterfte in’t Jaar 1782.
Men vleid zich en hoopt op den Vreede;
Men denkt dan is er geen gevaar:
Maar toondt God thans niet Zonneklaar,
In deeze en in anderen Steden
Zijn Oordeel? ja, wierd Richt’ren Tien,
Eens regt met Indruk ingezien.

top

p.44
Nu volgen Tien Bedestonden gehouden in den Engelsen Oorlog

p.45
Eerste Bedestond Woensdag 5 Juny 1782.
God roept ons tot een Biddend werk,
Van deze Avond in de Kerk.
God geeft dat het werk in waarheid zij,
Aan al het volk, aan U en Mij.

O Jeugd! houd Gij ook Bedestond?
Althans weet dit, ’t is ook Uw plicht;
Maar ziet toe dat Gij ’t regt verrigt;
God geeve U inzien in Uw Zonden.
Een Heilig God behaagt geen schijn;
’t Zou ’t Land ook niet voordelig zijn.

top

p.46
Houd Bedestond
met Hert en Mond.

p.47
Tweede Bedestond Woensdag 3 July 1782.
Van de avond Tweede Bedestond.
Roept Gode aan uit ’s Herten grond;
Want dat ’s o Jeugd! U aller plicht;
Ziet toe dan dat gij ’t regt verricht.

Wat zijn van de avond onze gronden
Als wij verscheinen voor den troon?
Gehoorzaamd men Gods groote zoon?
Zo niet? ’t Gebed werd ons tot zonden:
Merk ook wel op des Heeren Straf!
Daar zo veel Menschen gaan naar ’t graf.

top

p.48
Stel voor den Heer
U biddend neêr.

p.49
Derde Bedestond Woensdag 7 Augustus 1782
Deez Bedestond is thans de derden:
Wij alle weêr geroepen werden.
Om ons te buigen voor den troon;
God hoore ons in Zijnen Zoon.

Schikt U o Jeugd! om God te ontmoeten.
En koom deez Avond in de Kerk;
Verrigt met ons het Biddend werk;
God eischt dan van ons waare boeten;
Weet God dat niet? Ach! dat de Heer
U arme Zondaars smeeken leer.

top

p.50
Een biddens - uur
valt menig zuur.

p.51
Vierde Bedestond Woensdag den 4 September 1782
Van de Avond Vierde Bedestond.
Die God aanroept uit ’s Herten grond,
Verfoeit Komedie Spel, en mijd
Al soortgelijke ydelheid.

Kom, kom o Neerlands Patriotten!
Met ’t Vroome volk in ’t Openbaar!
En roept met uwe Priesterschaar
Tot God, die zig niet laat bespotten:
Maar weet zo Gij het kwaad niet haat,
Ge ook schuldig zijt aan Land verraad.

top

p.52
Huichelary hoort er niet by.

p.53
Vijfde Bedestond Woensdag 2 Oktober 1782.
De Klok roept alle na de Kerk
Maar een van twee zal zijn ons werk
Of Huichelary Ofte Smeeken
Laat vrij hier het Gewisse spreeken.

Koom, koom mijn Waarde Stadgenoten,
Die Jezus mint zijn zaak bepleit;
God ziet de heerschende Ydelheid,
Die ’t Hart vervult van Klein en grooten:
Koom laten wij ons hart ontvouwen,
Laat Kerk en Zaad Hem toevertrouwen

top

p.54
Denk in Gebeen
aan Overheen

p.55
Zesde Bedestond Woensdag den 6 November 1782
Van de Avond ’t zesde Bidstonds werk
Ten Zesder Uuren in de Kerk
Neemt waar die Uure van ’t Gebed
En bid dat God het Land toch red.

Zeer duister worden ’s Heeren wegen
Met Neerlands toestand; waar zal ’t heen?
Den Hemel hoore de gebeên
Die thans weêr werden neêrgelegen;
En scheppe die ’s Lands Redder is,
Het Licht uit deeze duisternis.

top

p.56
God ziet zeer juist
wat in ons huist

p.57
Zevende Bedestond Woensdag den 4 Xber 1782.
De zevende der Bedestonden.
Word van deze Avond weêr gevonden:
Trek mede op ô Jeugd! ter kerk
En help ons in het Biddend werk.

Wij zijn in Zorgelijke dagen,
Beschouwd men ’t over ’t algemeen;
Men mag wel vraagen waar zal ’t heen?
Maar leer ô Mensch! u zelv beklagen:
en denk toch! dat Bekeering is
De weg tot ’s Lands behoudenis.

top

p.58
Heilig ons Heer!
Uw Naam ter Eer.

p.59
Agste Bedestond

Wel aan! deeze Eerste dag van ’t Jaar ,
Schikt U met ons, om openbaar
Van deezen Avond in de Kerk
Te houden ’t Achtste Bidstonds- werk.

Laat God ons weêr dit Jaar beleven,
Wat zijn er veelen weggerukt?
Koom, koom o Jeugd! deeze Avond bukt;
Koom dankt en Bid met Heilig beeven:
Beveel dit Jaar in’t Bidstonds - werk
U zelve aan Hem met Land en Kerk.

top

p.60
In Gods hand staat
het goede en ’t kwaad.

p.61
Negende Bedestond Woensdag 5 February 1783
De negende der ,Bedestonden
Erinnere ons onze Zonden
Hoe nodig is het dat de Heer
Met Hart en Mond ons smeeken leer.

Wat weg God nog met ’t Land zal houên
Is zeker Hem alleen bekend
Gelukkig die het Troonwaards wend
Van ’t Schepsel afziet en ’t vertrouwen
Met Schuld - beseffinge verzeld
Alleen op God in Christus steld.

top

p.62
Op God vertrouwd
wat weg Hij houd

p.63
Tiende of Laatste Bedestond Woensdag 5 Maart 1783
Het Lid - tal van de Bedestonden
Wordt thans deez Vijfde Maart bevonden
Wie steld belang in Land en Kerk?
Die helpe ons in het biddend werk.

Wat zal men van ’s Lands - Nacht nog zeggen?
’t Is waar daar is een Morgenstond;
Maar wat betreft een Vreêverbond,
Daar blijft nog duisternis op leggen:
En Gode weet wat Oordeels - slagen
In plaats van Licht op zullen dagen.

top

p.64
Houd boet en Biddag
Voor God met ontzag

p.65
Op Neerlands Bedendag Den 27 April 1785 zijnde in Oorlog met den Keizer

Mogt God aan Neerlands Volk
de waare Ootmoed geven
Mogt Neerlands Bedendag
Jozephus Hert doen beeven.

top

p.66
Ziet hoe gij hoordt
des Heeren woord.

p.67
Op de Catechisatie
Zo dikwijls als gij ’t woord Gods hoordt
En ’t brengt geen goed vruchten voordt
Dat gij geen lust krijgt in Gods vreezen
Dan zal ’t u tot verzwaaring wezen.

Ach Kindren! mogt Gij eens bedenken!
Zal ’s Heeren woord op u doen vrugt?
Dat Gij dan toch tot Jezus zucht,
Hij wil U die Genaden schenken
Dat Hij U Herte vatbaar maakt
Op dat Gij tot Bekeering raakt.

top

p.68
Bid en waakt
eer ’t kwaad genaakt

p.69
Op de Binnenlandse Onlust van ’t Jaar 1786
God schenkt de allerzwaarste roê
Zo ’t schijnd aan Neerland Volk toe
Krij(g)t Burger-twist dus de Overhand
Dan is ’t gedaan met Volk en Land.

Vooruitzicht
O donk’re tijd aan alle zijden!
Wat zwaar Roê voor Neêrlands - volk!
Hoed God het niet men steekt den dolk
Elkaar nog in het Hert. O Tijden!
Zo gaat het met een Volk en Staat
Als God het aan zich zelve laat.

top

p.71
Op de Amsterdamsche Kermis des zelven Jaars
Hoe vreeslijk ook Gods Toorn brand
Door Twist en tweedragt in ons Land
Te zenden tot verdervens toe
Men word nogthans geen Kermis moê.

p.72
Bedenking
Hoe kommerlijk ook zijn de tijden
O Jeugd! al zijn die naar en bang!
De ijdelheid gaat doch haar gang:
Men wil de paân des doods niet mijden:
Doch die zich in de Zonden baad
Zijn Ziel verdervdt in ’t Land verraad.

top

p.73
Op Neerlands Bedendag Woensdag 28 Maart 1787
Schikt tog o Jeugd! Uw Hert voor Morgen
’t Is Morgen Boet en Bedendag
Bezeft uw Schuld en draag toch zorge
Dat Ge U naar plicht gedraagen mag

’t Zijn zeer Geduchte Oordeel - slagen
Die wij beleven in ons Land
Daar ’t tweedracht - Vuur zo hevig brandt
Zal daar het Bidwerk God behagen?
Zo God niet zelv Zijn volk opwekt,
Den Biddag tot geen Zegen strekt.

top

p.74
Geen dood nog grav
schrikt Vroomen af.

p.75
Gedachte op de Dood van KATHARINA DE MUNNIK Huisvrouw van Hendrik Mumkes
Overleden den October en Begraven 14de 1787
KATHARINA’s koud gebeent daald morgen ten grave
Wijl reeds de Ed’le Ziel haar Vriend en Goêl ziet
Zij stierv met Christen - taal Zij vreesde ’t sterven niet
De MUNNIK dus bemind bij alle waare braven
Liet haare MUMMKES na die in zijn eenzaam lot
Stilzwijgend onderwerpt de wil van Zijnen God.

top

p.77
Op de Beeldenis van CAREL WILLEM FERDINAND Hertog van Brunswijk Neêrlands Verlosser
Dit is het Vorst’lijk Beeld van Brunswijks Grooten Held
Die door den Rijks Monarch van Pruissen wierdt gesteldt
Als Hoofd en Legervoogd der dapp’re Oorlogs Benden
Die FREDERIK WILHELM na Holland af kwam zenden
Tot blijdschap van Gods-Volk en schrik der Patriot
Aan wien men ’s Lands behoud verschuldigd is naast God.

top

p.79
Op dat van der Pruissen Koning
Dit ’s Pruissens Rijks - Monarch, den Grooten FREDERIK
Bij ’t Gods - Volk hoog geacht: der Patriotten schrik
De Redder van ons Land: de Koninklijke Broeder
Van WILLEMS Gemaalin, SOPHIA (Frederika Sophia Wilhelmina) Neerlands Moeder
De trouwe Bondgenoot: Hij heeft door Brunswijks Held
Naast God, de Kerk bewaardt; de Vrijheid weêr hersteldt.

top

p.81
Illuminatie Vaers Den 8ste Maart 1788
Toen ’t Burger - tweedrags - Vuur ’s Lands ondergang deed vreezen!
Heeft God op ’t onverwagts zijn hulpe ons beweezen
Oranjes roem herstelde door ’s Pruissens Legermagt;
Hem zij daar voor de Eer in waarheid toegebragt!

p.83
Op Neêrlâns Bedendag Woensdag den 19 Maart 1788
O Aangenaame Bedendag!
Nu men God plechtig danken mag:
Dat Hij het Land – en - Kerk - gevaar
Heeft afgekeerdt, door de Adelaar:
En wat al meer ons werk moet weezen
Is in den Biddags brief te leezen.
Ai Kind’ren ! lees ’s Lands - Vad’ren reden
Ziet in bedaard den Biddags - briev
Hebt gij ’s Lands Heil in waarheid liev?
Koom dan mede op: onze Overheden
Die roepen ons tot Biddags - werk
Zo nodig voor het Land en Kerk.

top

p.85
Op den aangename Regen van Saturdag 17 May 1788
Het druppelende Regen - nat
Verkwikte mild de drooge Aarde:
Ach! dat me een dankbaar Herte had
Gods Goedheid schatten kon na waarde.

en Woensdag 21ste

Hoe ruischte weêr dien reine Regen
Voorleden week de drooge kluit
Ontfing dien milden Hemel - Zegen;
Hoe vrolijk zag toen ’t Groen er uit!
p.86
’t Verflenste Groen vernieuwde haar fleur
Vervrolijkt ’t Oog, verspreid haar geur
Door ’t Vogt gestort uit hooger kraan
Op Lommer, Gras, en Akker - graan

Bede
Ai! Stort ook stroomen op mij neêr
Van uwen Geest; op dat O Heer!
Het dor gemoed zich tot U keer;
En vruchtbaar word Uw Naam ter eer.

top

p.87
Op de zwaare Regen
Wat hijgde ’t Aardrijk na den Regen
Ze ontfingze in ruime Overvloed,
In *Onweer welk een Grooten Zegen!
Dankt God hier voor, want Hij is Goed.

Vrijdag 20 Juny 1788

Wat is me om ’t Hemel - nat verlegen?
Wanneer des Aardrijks drooge korst
Met Mensch en Vee, er ’t zaam na dorst
Wat schat men Regen dan geen Zegen
’t Was Vrijdag toen den Regen - Heer
Die mild’lijk uitgoot in Onweêr.

top

p.88
Betragt Gods wet U voorgezet

p.89
Op den Orcaan
De Schepper van de Zon en Maan
Ja van ’t Heel - al riep een orcaan
Die bragt er veele, in weinig tijd
Uit ’t Zeil - plaisir naar de Eeuwigheid

* op Rustdag nam: 3 Uuren 13 July 1788

Kind’ren ! leert toch God te vreezen,
Schend geen Sabbath; gaat te Kerk
Nergens kond gij veil’ger wezen
Zeilen is geen Sabbaths - werk
Zo gij koomt Gods Woord te hooren
Zult ge in ’t water niet versmooren.

top

p.90
En redeneert
doch nooit verkeerdt

p.91
’t staat bij mij vast want, Dat ’t Ongeluk op Amstels Y
Alleen maar slegts bij toeval zij
En niet bijzonder is geschied
Door Gods - bestier? geloov ik niet.

en daarom

Den Blinden Mensch is ligt genegen
Den Vinger - Gods voorbij te zien
Zou Storm dan bij geval geschiên?
Koom, lees Gods - Woord maar eens ter dégen
En ziet eens of gij daar niet merkt?
Wat God al door zijn Winden werkt.

top

p.92
Met vreúgde weer
Ik Illumineer

p.93
Op de Illuminatie van Neêrlands Debora, 7 Aug: 1788 Æ 37
Morgen zal me Illumineren,
Neêrlands Debora ter Eeren:
Dit roept ons toe, als men ’t aanziet,
Vergeet toch God uw Redder niet.
Houd toch O Jeugd! wel in gedachten,
Dat WILHELMINA ’t Middel is
Van Land - en -Volks - behoudenis ;
Schoon and’re Haar zo snood verachten
Hij is, en blijft SOPHIA’s (Frederika Sophia Wilhelmina) Vrind
Die Vaderland en Godsdienst mind.

top

p.95
Op de Beroeping van den Weleerwaarde Heer D. ten Dall den 22 April 1788
Treurt thans het Geldersch Wageningen
Om haaren Leraar, D. TEN DALL!
Gods Kerk aan ’t Y mag vrolijk zingen
Nu Hij haar eerstdaags weiden zal.

p.96
Op zijn Wel E. Bevestiging 24 Aug 1788
God zelv Bevestige U tot opbouw zijner Kerk
Hij maake U regt Getrouw en zeeg’ne
Uw Dienstwerk

Op de Intrede 27 Aug 1788

Geluk Eerwaarde Heer; met deeze uw Eersteling
Den Opper Leeraar zelv wil U tot Zegen Zetten
Ach! dat Ge uw ruim getal, door Waarheids’ Visnet ving
Die regte Hulde doen aan Koning Jezus wetten.

top

p.97
Op de Amsterdamsche Kermis van ’t Jaar 1788
Thans naderd weer de Ydelheid:
Of God ons uitred of kastijd
Gemoed’ren nog verbitterd staan
De Kermis moet zijn gang doch gaan.

Kind’ren Mijd en vlied de Zonden;
Vlied de Kermis Ydelheid;
Daar word nimmermeer gevonden
Iets dat U tot Christus leid.

Ai! leert dan toch kermis derven
Leer: en Herlees, Spreuken: Een:
Denk gij kond zeer schielijk sterven
Waar dan uwe Ziele heen?

p.99
Vervolg

Hoe spant de Satan thans zijn netten
Door Spel, of tent, op markt, of plein:
Daar hoop ik zult ge uw voet niet zetten
O Jeugd! veel min aanschouwers zijn.

Bedenking

Zoud Gij die Ydelheid aanschouwen?
Op Botermarkt, in tent of Spel?
Durft Gij U veilig daar betrouwen?
Schrikt, Gij dan voor geen Dood of Hel?
Of vind Gij Jezus in zoo’n tent?
Neen. Eeuwig wee! en ach! op ’t End.

p.101
2e Vervolg
De Kermis is bijna gedaan;
Vervlogen is dien tijd:
Het komt den Zondaar duur te staan,
Stapt hij in de Eeuwigheid.

Nodige vraage

Gij , die U niet liet waarschouwen,
Dwaaze Jeugd! of laten raên
Maar die Zotheid moest aanschouwen!
Is uw Herte nu voldaan?
En geschikt, en voorbereid
Voor de Dood en de Eeuwigheid!

p.102
Haat vlied en mijd
de ydelheid.

top

p.103
Kermis - vermaaning
Ach! mijn waarde Leerelingen!
Teder Kroost uit Amstels-stad!
Die zo hijgd naar de Yd’le dingen
Ach! dat gij eens indruk had!

Dat al ’s Waerelds Ydelheden
Louter is een waterbel
Dieze liefkoost rigt zijn tréden
Regtstreeks naar de naare Hel.

Ai! Schuw dan des Duivels strikken;
Mijd de Kermis Ydelheid;
Wilt doch voor de Zonde Schrikken!
Denk aan Dood en Eeuwigheid.

Wat zal U de Kermis geeven?
Zeg mij dit ter goeder trouw
Korte wellust in dit leven
‘Maar een Eeuwig naberouw.

top

p.104
Kan de zotheid U bekoren
Die gij daar voor ogen ziet
’t Is gewis ach! wilt het hooren
Ziels vermoording, anders niet.

Zoud gij dan uw jonge leven
In de Zonden dienst besteen?
Neen, wil ’t Hart aan Jezus geeven
Spoed u tijdig naar Hem heen.

Waare blijdschap, Ziels - genoegen
Kent Voldoening, Waare Vreugd
Dat zal Jezus U toevoegen
Zo gij Hem verkiest o Jeugd!

Daarom Kind’ren! laat U raaden
Jezus is uw Herte waard!
Zoekt Hem vroeg, vraag om genade,
Bid dat Hij U wederbaard.

Kom aan Jezus ’t Hert gegeven
Eischt Hij ’t geev Hem ’t Jawoord, Nu,
Zegt, en dat voor al uw leeven
Wilt gij mij Heer! ik wil U.

top

p.105
Ter 40ste Verjaaring van mijn Echt - genoot 12 sept 1788
Mijn Echtgenoot! dit klein Present
Ontvangt dit, nu Gij Jarig bent:
God spaar nog lang uw leven:
En houde U op den duur gezond:
Schenke U zijn Geest, dat Hert en mond
Hem eeuwig de Eere geeven.

top

p.106
De dood ook niet
de Jeugd ontziet

p.107
Op de Dood van Hendrik Godfried
’t Laatst School geweest den 8ste November 1788
gestorven 16de
Begraven 19de

Godfried onlangs weêr hersteld
Uit de Pokken, ligt geveld
Door den dood tot Oud’ren smerte
Neemt o Jongheid! dit ter Herte

Toeroeping

Gij Frische Prille Jeugd! vertrouwd niet op leven
Och denk toch! ’t Leven dat kan schielijk u begeven
Dit ziet Ge klaar in mij. Ik was volmaakt hersteld.
Frisch Vrolijk welgemoed Nu leg ik hier neer geveld
Roept dit U dan niet toe? Leer de Ydelheid toch derven!
Ik ben in de Eeuwigheid, daar koomt Ge ook naar Uw sterven
En wilt Ge ô Cameraads! gelukkig zijn ontbonden?
Dan moet Uw Ziel bij tijds in Christus zijn gevonden

top

p.109
Het vroor vrij straf
Bij ’t Leven af
Het *agt - maal - elv Jaar getal          *1788
En ’t volgend ons wel heugen zal,         1789
Naardien het toen zo hert vroor,
Dat men het Leven schier verloor

Psalm 147: 17

Wie zoude bestaan voor Zijne koude?

Hoe fel was thans de Vorst hoe schielijk ging ze klimmen
Bij enen heldren lugt; de Zon rees uit de kimmen
En scheen in schoonen glans, bij de Oostelijke Wind;
’t Was toen het schoonste weêr dat men ooit ’s Zomers vind:
De Thermometer wees ons de Extra strenge koude,
*Vier graden binnens Huis - Wie of ’t verdúúren zoude?
Had God het niet gewend, wat Adem was gegeven
’t Zij Mensch of Beest, die al had zeker moeten sneven

*Vrijdag 9 January 1789 ’s morgens 9 ure

top

p.110
Baart de Oordeelsdag
dan geen Ontzach?

p.111
Overweeging
Wat baat U doch de Ydelheid,
Die Gij Ô Jeugd! zo na koomt jagen?
Denk toch, dat God na dezen tijd.
Voor zijn Gerichte U zal dagen.

Vermaaning
Kind’ren! Uwe jonge dágen
Vliegen weg in Ydelheid:
Kort, en dierbaar is de tijd,
Wildt toch naar Uw Schepper vragen:
Waare Blijdschap, Vreugde en Rust,
Vind hij, die Gods Zoone kust.

top

p.112
Dat toch Gods woord
Uw Ziel bekoord.

p.113
Kinder Bede
Ik zal in den Bijbel lezen;
Heere! doet me Uw Woord verstaan;
Leen mij toch die weg inslaan
Die mij daar word aangewezen.

Goede Raad

Wildt U aan den Bijbel wennen;
Leest Ze met een diep Ontzach;
Bid dat ’t God behaagen mag,
U daar uit te leeren kennen
De Enge Weg, die Zondaars leid
Uit Genaê tot Zaligheid.

top

p.114
Foei! als de tijd
onnut heen glijd

p.115
Op de Tijdverquisting
Laat toch o Jeugd uw leering - tijd
Niet nutteloos passeren
Oplettend moet gij alle vlijt
Aanwenden, om te leeren.

Afmaaning
Verwaarloos toch niet uw tijd
Door praaten en door speelen.
De tijd te spoedig heenen glijd
en zoudt Ge U dien ontsteelen?
Wel foei, schaamdt U, zo Gij niet leerdt
Bij niemand zijt Ge dan geërdt

top

p.116
Vreest vreest Gods naam
ô Jeugd te zaam

p.117
Op het Misbruiken van Gods Naam
Het misbruik van Gods Naam, zoo’n schromelijke zonden
Wat word dat algemeen bij Oud en Jong gevonden
Maar Zondaar! dien Gij hoont is ’t Heilig Opperwezen;
Ach! mogt ge Uw tonglits - straf eens regt in ’t Wet - woord leezen
p.118 Schuw o Jeugd! zelfs zulk spreeken
Dat men Bastaard vloeken noemt;
Want God zal dien oneer wreeken
Van Zijn Naam; hoe ook verbloemdt
Zoek dit gruwzaam kwaad te mijden
Zeg nooit onbedagt: ô Jé
Zo Ge Uw Ziele wildtt bevrijden
Van een Eeuwig Ach en Wee!
Dat Uw tong dan al uw leeven
Gode Lov en Eere geeven.

top

p.119
Aandacht op de Huis Klok
NB Het eerste lied uit de Bundel van de H Porjure zal van yder vaers nader
opening geven

Het heel - en - half - en quart Uurs slaan
Der Huis - klok toondt de aanschouwer aan
En leerdt, ô kind’ren! dat de tijd
Met snelle schreden heenen glijd.

De Wekker en het zwaar gewigt
Mijns Huiskloks, toondt ook mij mijn plicht
en tekend tevens mijn bestaan
In ’t al te rad of langzaam gaan

Haar loop heeft zij ook haast verrigt,
Zo men niet tijdig ’t lood gewigt,
Door winding weêr naar hooge trekt;
Ook hier mijn klok tot leering strekt.

De vloeijende Oly nodig is
Voor ’t Wendelend Rad; of ’t is gewis
Dat ze in haar loop zoú zijn gestuit,
Daar trekt mijn Ziel ook leering uit.

Zie ‘k al de Rád’ren t’zaam, en merk
Hoe ’t een doet op het aâr zijn werk
Waar uit den Hamerslag ontstaat
Zo leert mijn Klok mij vroeg en laat.

top

p.121
Op het Grav – schrift van Ds Hamerster
gemaakt door Vriend Jongeneel

Hij die mijn Leerling was voor dézen,
Mijn Jongeneel, die maakte ras,
Op HAMERSTER zeer wel van pas,
Een Graf-schrift dat Ge op ’t Vel kond lezen

En

Hij die voorheen mijn Leerling was
Mijn Jongeneel die maakte ras
Op Hamerster zeer wel van pas
Een Grav - schrift, dat men aldus las

top

p.122
Christus tot Borg
laat zyn Uw zorg

p.123
Na - herdenking op de Cathechisatie van de Straffe der Zonden
Hij die zijn diepe Ziels - Ellenden
Geloovdt zal met de grootste zorg
Het ongeveinsd naar Jezus wenden
Tot hy gered is door dien borg

Erinnering
Gy Jeugd! hebt onlangs kunnen hooren
Wat Straf den Zondaar is beschoren,
Zo hy zich niet tot God bekeerdt
Ach dat Gij ’t dan naar Jezus wende
Dat Hy U redde uit uwe Ellende;
‘k Wensch God het door Zijn Geest U leerde.

top

p.124
Jongeneels Vaers
Morgen Denkdag, Vastdag, Biddag
Nuttig, Nodig, Treflijk werk
Schikt u Jeugd! om God te ontmoeten;
Koom met Neêrlands - Volk ter Kerk

God, die door een sterk vermógen
Land en Volk heeft uitgered;
God die goed is hoore op morgen,
Naar ’t geloovig smeekgebed.

top

p.125
Op Neêrlands Bédendag Woensdag 18 Maart 1789
Een waare Vriend van Land en Kerk
Die keurdt hoog nodig ’t Biddag - werk
Hij steldt zich daar niet tegen;
Want hij begrijpt ’t is Gods bevel
Én ’t heil des Volks (weet Hij zeer wel)
Word biddende verkregen.

of de 4 laatste regels aldus

Zijn lúst is God te zoeken
Laat geenzints zich door Haat of Nijd
Vervoeren, om zijn Overheid
Te lastren, of te Vloeken.

top

p.126
Tyken is boven
om God te loven

p.127
Op ’t Overlyden van Ds J.Tyken 24 April 1789 oud ruim 83 Jaaren
Vader Tyken is niet meer:
Tyken is bij Zijnen Heer:
Lastertongen Leygenmonden
Heeft hij door ’t Geloov verslonden.

Graf - schrift
Hier onder deeze Zerk ligt Tyken’s koud gebeente
Die de Oudste Leeraar was in Amstels kerk gemeente
Hij heeft (na dat hij eerst zes Jaar te Ysselmonde
En ruim Vijf Jaar Schiedam regtzinnig ’t Woord verkonde
Na Agt - en - veertig Jaar tot Heil van Amstels kerk
Godvrugtig en getrouw volvoerd het Herder - werk.

p.128 Waakt Bid en Strijd
voor de Eeúwigheid

top

p.129
Op de Herstelling van mijn Vriendin
Koom Vriendin het hart na boven
Juicht! want God heeft U gered:
Dat ook Man en Kroost Hem loven;
God doch hoorde het Gebed:

Dat ’t Leven zeer verganglijk is,
Dat is een waarheid die gewis
Gods dierbaar Woord ons leert, en ook de ondervinding
Waarom ook Yder onzer raakt
Dien raad van Jezus: Bid en Waakt
Want Gij weet noch den dag noch ’t uúr van uw ontbinding

top

p.130
Het hoogste goed
het Hert voldoed

p.131
Aanmerking over Job 22 : 21
Zeg Jeugd! zou uw Levens - trijn
Niet heel anders moeten zijn?
Zo de Raad van Eliphas
Waarlijk ook uw uitzigt was?

Kind’ren schept ge in goede dagen,
Schept Ge in waar geluk behagen?
Hebt ge in Vreede lust o Jeugd?
Leer dan toch Uw Schepper kennen:
Leer U aan Zijn dienst gewennen;
Dan verkrijgd ge eerst waare Vreugd.

top

p.132
Een yder Kind
dat regt zoekt, vind

p.133
Aanmerking over Prov: 8 : 17b
Wierd dit Vaers uit Spreuken agt,
Ernstig van u ingrdacht,
Ed’le Jeugd ! met al uw kragt,
Wiedr dien raad van U betragt.

Die zoekt, die vind gewis, ’t is Jezus eigen Woord;
Och wierd dit Ed’le Jeugd! eens zo van U gehoord
Dat Ge in Uw bloeijend Leeven,
Mogt zoeken naar dien beste Kind’ren Vrind;
Bij Hem is Heil, dat niemand elders vind
Hij zal U alles geeven.

top

p.134
Hert ter woning
voor Zions Koning

p.135
Aanmerking over Prov : 23 : 26
Die ’t Herte eischt, eischt niet te veel:
’t is Jezus, wilt Ge Hem ten deel?
Koom, geef dan ’t Herte Hem geheel;
Lees daartoe ’t Vaers van Jongeneel.

God roept , geef my Uw Hert, mijn Zoon!
Die stem, klonk steeds van ’s Hemels - throon
Die stem, klinkt U o Jeugd! ook nu nog meer in de ooren.
Geeft Jezús dan , en Hert, en Hand,
Och! wierdt Ge eens aan Zijn dienst verpand
Dan was U ’t Heilrijkt lot in Eeuwigheid beschooren.

top

p.137
Aanmerking over Pred : 12 : 1.
Ydelheid bederft de Zéden,
Zegt mijn Vriend U, Jongeneel
Is ’t niet zo? ai! kiest dan Héden
Nu ’t nog tijd is, ’t beste deel.

Denkt Ge vaak aan de Ydelheden
Kind’ren ai! bedriegt U niet:
De Ydelheid bederft de Zéden:
Baardt een Eeuwig Ziels - verdriet,
Leer dan aan Uw Schepper denken
Die kan U behoud’nis schenken.

top

p.138
Hoordt Jezus stem
en koomt tot Hem

p.139
Aanmerking Over Luk : 18 : 16 verg. Math : 19 : 14 en Marc : 10 : 14
Mattheus, Marcus, en ook Lukas,
Doen U hooren Jezús stem
Och! dat ’t U er ook om te doen was
Hoordt toch Kind’ren; koom tot Hem.

Laat de Kind’ren tot mij komen.
Aangenaam, en Zalig Woord!
Elk die koomt, wordt aangenomen
Kind’ren worden ook verhoord
Nooit zond Jezus kind’ren henen
Neen hij neemt hun liefd’ryk aan.
Koom dan Jeugd wilt U vereenen
Om tot Jezus heen te gaan.

top

p.140
Een Sionniet
den Hemel ziet

p.141
Op ’t Godzalig afsterven van Aavje Boelen
Huisvrouw van Willem de Soete
Schoolmeester te Benschop

Die Jezus vind, die vind het Leeven.
Wel aan! wil U naar Hem begeven:
Dan gaat het U als AAVJE BOELEN
Die moge in ’t sterven troost gevoelen

p.143
Op de Zelvde
Die als een Christen leevdt,
Zal als een Christen sterven:
Die Christus ’t Harte geeft,
Zal wis den Hemel erven.

Aanmerking
Het voorregt dat is zeker groot,
Wanneer men in den laatsten nood
Op goede gronden, durft een Eeuwigheid inwachten
En ging zo SOETE’s Echt - vriendin;
Gelovig ’s doods - vallye, in
Zo smaakt Haar Ziel reeds ’t geen, daar wy naar moeten tragten.

top

p.144
De Heere haat
wie Armen smaad

p.145
Op den Arm - bossen - dag      (Collectebus voor de armen)
Voor een Yder Groot of Klein,
Zal het Maandag Bos - dag zijn:
Dit is op ’t verzoek der Heeren,
Die het Bos - geld de Armen keeren.

Kind’ren wil nooit de Armen smaaden;
Dankt God, hebt Ge meer als Zy
Armen zijn niet meer belaaden
Met Gods Vloek, dan ik of gy
God maakt Armen, Hij maakt Rijken
Laat Uw Lievde aan Hun blyken.

a Prov 14 : 20 : 31 a 17 : 5 b Gal : 3 : 30 c Prov 22 : 2 d Prov 19 : 17

top

p.146
Volg Jacobs treên
op in gebeên.

p.147
’t Oplettend Oog van mijn Vriendien,
’t Cachet beziende, het welk in
Het Lak gedrukt was van myn briev.
Haar Zangster toen dit Vaers ophiev.
te Benschop

Vers 1
Het Wost’lend Paar zo juist naar ’t Leeven,
Door het Signet op ’t Lak gedreven,
Waarmeê mijn Vriend Zijn Briev toesloot.
Bragt in ’t verschiet my dit te binnen,
Geen Jacob, durvdt den Stryd beginnen
Met Ezau, Hem te boos, en groot.

top

p.148
Laat Ezau woên
God zal behoên

p.149
Hij die hier ’t zondaars kermen kiest
Voorzeker, die hier niets verliest;
Dan’t geen zijn Ziel maar nadeel doet,
Probeerdt het maar, want God is goed.

Vers 2

Hy koos zich kermend aan te klagen,
Verbeurde hulp om niet te vragen
Van zijn Verbonds - God, in dien nood;
Hoe goed heeft Jacob dit bevonden,
Dus wierdt dien Ezau ingebonden,
En Hij gered uit zulk een dood.

top

p.150
Voor ’s Geestes licht
’t Ziels duister zwigt

p.151
Met Jacob dan in ’t Wo(r)stelperk
Mijn Ziel! grijp moed Uw Hert zy sterk
Uw Oog blijv zien, Uw Hand houd vast,
Tot Jezus U van Schuld ontlast

Vers 3.

Zoekt dan een Beul uw troost te rooven?
Des Hemels Geest gedaald van Bóven
Tot in het diepst van uw Gemoed;
Kan ras een god’lijk Vuur ontsteken;
Dien Ezau met zijn kragt verbreeken,
U maaken vry door Jezus Bloed
        enz:

top

p.152
Zyt kloek en sterk
in ’t Worstel - perk

p.153
Aanmerking
Op de 3 voorige Vaerzen

Kind’ren wil van Jacob leeren
Vroeg te worst’len met den Heere:
Wie belang in Jezus steldt
Word een overwinnend Held

Dit Jacobs voorbeeld, moest gedurig
Voor ’t Oog ons zweeven Och! hoe vurig
Zou dan de Ziel in allen nood,
In angst, in strijd, in kruis, in Zonden
Zich keeren tot des Mid’laars Wonden
Al moest men Hinken tot den dood.

top

p.154
De Sullebaan*        (de glijbaan)
Ver boven tijd naar ’t School gegaan
Uit oorzaak van de Sullebaan
Dit zot vermaak heeft ons misleid
Want ’t Vroegertje zijn wij nu kwijt.

top

p.155
Dank - betuiging aan mijne Kinderen voor Hunne Verjaaring
Heb dank mijn Kind’ren voor uw geëerd Prezent
Het Boek, de Kurk, en doos, vertoondt een lievde prent
Door mij, blij te Verjaaren.
Ik Wensch U alle drie schat gij het Voorregt hoog
Dat dien dag meer verschijnt, gij dan Uw Kniëen boog
Dat God mij nog wil sparen.

top

p.156
De Sneeúw - bal
Wij maakten van de Sneeuw een bal;
En wierpen die langs Gragt en Wal:
Wij moeten voor dit straat Plaisir
Een uur, twee, drie, nog blijven hier.

top

p.157
De Kinderen aan Hunne Moeder
Zaagd Gij ’t Eerste Leevens - licht
Op deez dag? het is ons plicht
U o Moeder! te Verjaaren
Doen U ’t zaamen dit Prezent,
Tegen Gij weer Jarig bent
Zullen Wij wel weêr wat gaaren

12-9-1789

p.159
De Man aan de Vrouw
Mijn Echtgenoot! bij Uw Verjaaren
Wil ik mij bij de Kind’ren paren;
En doen U ook een klein present;
Mag ik mijn Wensch, God hoede Uw Leven:
Wil U ’t Geloof in Christus geeven
Zo koomt Gij Zalig aan Uw End.

top

p.160
Bid, dat de Heer
U jong bekeer

p.161
Op Zondag 33       (uit de Cathechismus)
Hoe ernstig hebben de Leeraaren
Een Rustdag ons o jeugd! geleerdt
Dat die alleen ten Hemel vaaren
Die waarlijk zijn tot God bekeerd

Merk wel op

Hoe lang heb ik wel tijd om mij nog te bekeeren?
Zoo sprak een Jongeling een Oude Grijsaard aan
Wel Jong’ling (zei de Man) dit ken ik haast u leeren
Doet dit één dag voor dat Gij uit de tijd moet gaan
Wel Vader! wanneer moet ik dan op ’t sterven gissen
’t Kon zijn de dood vandaag Uw Lot nog kwam beslissen
Zwijg stil o Oude Man! Ge ontzet me door Uw reden
Geen uitstel dan, maar denk, Gods Woord dat
Spreekt van Héden Ps 95 : 7/8

top

p.163
Op het voorige
Kan ik zelve mij bekeeren?
Neen mijn kind! dat kond ge niet;
Nogthans hebt ge dit te leeren
’t Is uw plicht, God ’t U gebied

Wat raad dan?
Den Verhoogde Middelaar
Geeft Bekeering en Vergeeving:
Zijt verzekerd, zoekt Ge ’t daar
In een kinderlijke bekeering;
Dat dan ’s Heilands Los - rantzoen
U voor Eeuwig zal behoên.

top

p.164
Toeroeping
Gav God in Godfried’s Dood een
            voorbeeld aan U allen
Voorleden Jaar o Jeugd! van ’s Levens
            Ydelheid
Och! merk het toch wel op, de Dood
            deed mij ook vallen
Geen Twaalf Jaar nog bereikt moest ik
            naar de Eeuwigheid
En daarom wie Gij zijt wilt Gij gelukkig
            sterven
Leer ’t geen geen Jezus is hoe eêr hoe
            liever derven

top

p.165
Op de Dood van Gerrit Vogel
Overleden 28 Augustus 1789
In den Ouderdom van 11 Jaar M° dag
Begraven p’ September

In ’t naare Grav is het verblijv
Van Gerrit Vogel’s Zielloos - lijf
Een tweede Roepstem voor U o Jeugd!
Leer sterven eer Gij sterven Meugd

top

p.167
Op de Amsterdamse Kermis van ’t Jaar 1789
Een Volk gered door Godes Hand
Daar ’t Evangelie is geplant
Word door het God’lijk oog beschouwdt
Hoe dat het thans weer Kermis houd.

p.169
Vraage
Waar moet ik mij naar toe begeven?
Hoedanig is de Weg ten Leeven?
Neemt Jezus niet een yder aan?
’t Zij wie hij zij die tot Hem gaan?

Antwoord
Den Heiland is’t Ja die alleen;
Vlugt daar met al uw Schulden heen;
Dit is de weg ten Leven:
Koomt Gij, Hij neemt gewis U aan;
Ja al de Geen die tot Hem gaan,
Zal Hij Zijn Heilgoed geeven.

top

p.171
Aanmerking op Frankrijks Rumoer.
Hoe Aaklig leest men in’t dag Papier,
Der Fransche naare Treur - toneelen;
De HEER bewaare ons, dat wij hier,
In soortgelijk een Lot niet deelen

Edoch
O Nederland! O Nederland!
Wie durvt het Goede hoopen?
Zal ’t duur U doen bekoopen?
Hoe grouwzaam Steigd ten top Uw quaad,
Waar door Gij God op ’t hoogste smaad.

top

p.173
Aan mijne Vrienden
Mijn Lieve Vrienden, Uw verzoek,
(Wat mij betreft) om een bezoek
U Eedelens te geeven;
Dit zou voor Zeker Zijn geschiet
Doch ’t Weer dien Reis mij niet toeliet;
’t Is mij te Guur gebleven.

Mijn Tabernakel is te zwak;
Kreigd nu een Schok en dan een krak
Ik dorst het dies niet wagen:
Doch zo de HEER het niet belet
Zo is die reis bij mij gezet,
Op Mey - Maands Pinxterdagen.

’t Gaat voords U na de Ziele goed
Mijn Heer! toch JEZUS hulde doet,
De Tijd mogt U begeeven:
Vrienden! ’t Zij bij U altijd Licht;
Des Konings Vriend’lijk aangezicht,
Verzelle U al uw Leeven. enz enz.
21-9-1789

top

p.175
Een Vriendin aan haar Vriend in Christo
Heeft God Waaragtig ’t Heil versprooken,
Aan Hun met Naam van HEM gemeldt;
Hoe? Zou mijn Vriend dan zijn verstooken?
Daar gy Uw naam *Nooddruftig spelde?
Mijn Vriend! wagt dan op God in deezen;
En laat zijn Woord Uw Sterkte Zijn:
O! mogt ik haast getuige weezen,
Dat Gij dronk uit dien Heil - fontijn

*Jes 41:17 CW 6-10-1789

top

p.176
God heeft zijn Wet
den Mensch gezet

p.177
Sabbath - schending
Dat thans de Sabbath Schendery
Hoog gaande Hemeltergend Zij
En meer en meer vermeerderd werd
Dat zien Gods Kinderen tot hun smert.

Exod 20 : 8 - 11

Wanneer de Godsdienst werd verrigt,
Dan hoorde het Oor, dan ziet ’t gezigt,
Hoe stout, en onbeschaamt, men Schreeuwt langs straaten
Men Spreid zijn Waaren daar ten toon,
Den Groote Neerlands God ten hoon:
Leert Sabbath Schending, O! Jeugd toch altoos haaten.
28-10-1789

top

p.178
Hoor in de Kerk
het Intrê - werk

p.179
Op de Intré Predikatie van Do.DERMOUS 11-11-1789
Tien Maanden na de Vacatuur,
Kwam DERMOUS binnen Amstels muur
Voor HAMERSTER de plaats bekleên;
Hij doet deeze avond de Intré - reen

Felicitering

Den Opperherder Zijner Kerk
Die helpe U DERMOUS in Uw werk
Hij zette U tot Zégen
Preekt ’t Evangelie onbevreest
En voegt bij ’t woord Zich ’s Heeren Geest
Zo word ons Wensch verkregen.

top

p.180
Graf – Schrift op Do HAMERSTER door M Jongeneel
Een Flonkerster in Amstels Kerk
Een Yveraar in ’t Priesterwerk
Een Schat van Godsvrugt en een Magazyn vol gaaven
Een Mededeelbaar Menschen Vriend
Een Voorbeeld dat men Zeldzaam vind
Legt onder deze zerk, in HAMERSTER begraaven

top

p.181
Vaderlijk Verjaardicht
            1
Mijn Zoon ! ’t is Zestien Jaar geleên,
Dat God de Hoorder der gebeên
U ’t eerst op aarde Stelde
Zijn opzicht heeft uw geest bewaard
Och had gij lust om op deeze aard,
Zijn goedheid te vermelden
            2
Welke is de reen dat God uw spaard?
En deezen dag weer blij Verjaard?
Och mogt Gij ’t eens bedenken!
Is ’t niet dat Gij het Hoogste goed
Hoe eer hoe liever Hulde doed
Die Keus wil God U Schenken
            3
En heeft de Goê Voorzienigheid
Uw derwaards tot Uw Oom geleid,
Ai! zoekt U te gedragen,
Gelijk een Brave Jongman past;
Zyt Trouw laat niets U Zijn tot last
Geef nimmer reen tot klagen.
            4
Mijn Zoon gehoorzaamdt het Bevel
Uws Ooms en maakt het daaglijks wel,
Dat zal U voordeel wezen.
Wendt nooit Uw voeten tot het kwaad
Maar neigd Uw Oor naar goede raad
Zo word Ge altoos Geprezen.
            5
En denkt in ’t geen Uw Oom U zeit
Zo leid mij de Voorzienigheid;
Zo wil Hij mij bewaaren
Ziet daar een groot stuk Zilvergeld
’t welk is op Drie en Drie gesteld
Dat ’s voor U om te spaaren.
      UE Liefh Heilz Vader E.Jacobs
      18-11-1789

top

p.183
Aan mijn Oudste Dochter
            1
Mijn Dochter die thans weêr verjaard
Heeft God U Agttien Jaar gespaard
Erkend het voor den Heere:
En smeek dat Zijn Verdraagzaamheid
U eenmaal tot Bekeering leid
Dan zult Ge Hem eeuwig Eeren
            2
Ziet daar, ook U gelijk Uw Broeder
Een geld - stuk - maar, dat Gij Uw Moeder
Zo veel Gij kond Haar last verligt:
Zorg ’s Morgens voor het Vuur aanleggen;
Maak dat op Uw niets is te zeggen,
Dan oeffend Gij Uw Kinderpligt
      als vooren
      27-11-1789

top

p.185
Op het Bevestigings Werk
Een Zondag is het dat TENDALL
Professor HAACK Inzég’ne zal
Des Avonds in de Oude Kerk
De Heer geev Hulpe tot dit Werk
29-11-1789

top

p.186
Strijd Waarde Haack voor Jezus zaak
       Bede
Geev Heer dat deeze Bijbeltolk
Zijn dienst, tot blijdschap van Uw Volk
Mag onder ons verrigten
Maak Hem getrouw in ’t Herder - Werk
En laat Hij Vorst MESSIAS Kerk
Door leer en Wandel stigten.

top

p.187
Op de Intré - Predicatie van Do Haack 25-11-1789
Liet HAACK eenmaal Zijn Gaven hooren
In de Amstel - Loos, een Jaar te vooren;
Hij zal nu doen het Intré Werk
Deeze Avond in de Nieuwe Kerk.

Gelúkwensching
Eerwaarde HAACK Uw Eerste - Werk
Gelukke U; mogt Gij Amstels - Kerk
Door Leer en Wandel stigten:
God geev dat Gij Uw Herder - Werk
Tot Heil van Vorst MESSIAS Kerk,
Nog lang hier moogd verrigten.

top

p.188
Denk, dat de tijd
snel heenen glijd.

p.189
De tijd weet van geen Wederkeeren
Dat kan de Laatste Jaar Maand leeren
Wij zijn Bereid of Onbereid,
Wij snellen naar een Eeuwigheid.

Op December

Nu is November weer verdwenen;
December in de plaats verschenen;
Het Jaar loopt schielijk op het end:
De Tijd ontrold met rassche schréden:
En daarom Jeugd! Gij zijt Gebéden!
Dat Gij het toch na Jezús wend.

top

p.190
Die Vroomen haat
verlooren gaat

p.191
Het Vroome Volk is hier hun lot.
Verguisd te worden en Bespot;
Van hun die waare Godvrugt haaten;
Maar ! wat zal hun, hún schimptaal baaten.

          Joh : 15 : 18 - 21

Gij, die Gods - Kinderen veracht;
En hooger niet dan Dweepen acht;
En smaad, en smaald, op Fynen:
Ziet toe, O! Zondaar, U Bekeer;
Of Jezus werpt U plotsling neer,
In ’s Afgronds Helsche pijnen.

top

p.192
Een Nieuw Jaars dichtje voor een mijner Dicipelen
Heeft de Heer van Dood en Leven
U een zwaare slag gegeven;
Eer het Jaar ten einde waar?
Bragt ons TANTE’s dood tot treuren?
’t mogt ons echter nog gebeúren
Dat wij zijn in een Nieúw Jaar.

Waardste Oom, God heele uw Smerte:
Jezus heersche in Uw Herte;
Houde U op den duur gezond;
Wil U Zég’nen, lange sparen;
Dat de Christus Zij Uw grond.

top

p.193
Een dito Voor een andere Discipel
Mijn Heer en Jufvrouw Verwey,
Mag ik Heden U ontmoeten?
‘k Wil, daar ’t de Eerste Jaar dag zij
Kort U met een Heil - wensch groeten.

God! die rekke Uw dagen uit
Weldoend Heer! tot Hooge Jaaren,
En Mejuffrouw, en Haar Spruit
Wil Hij op den dúúr bewaaren

Dat nog Ramp of Ongeval
Immer U op aard bejég’ne:
Ja! God wil U boven al
Eeuwiglijk in Christus Zég’ne         Eph : 1 : 3

top

p.194
Ter 16e Verjaring van mijn Dochter ELISABETH JACOBS
Mijn Dochter! dat het Opperwezen
Die U den tijd van Zestien Jaar
Langmoedig droeg - nog lange spaar.
Dat zal den wensch Uw’s Ouders wezen
En staat er na om voorbereid
Te worden voor uw Eeuwigheid
         U Heilzoekende Vader E Jacobs
         9-1-1794

p.195
Aan mijn Jongste Dochter
Dochtertje ELISABETH
Oor en Hart toch oopen zet,
Voor de Stemme van dien Koning
Die U Heden weer Verjaardt,
’t Geen ons Stof tot blijdschap baardt;
Hij maake in Uw Hart zijn woning
9-1-1790

top

p.196
Op het Godzalig Sterven van Joost van der Vlist te Benschop 1790.
p.197
’t Verlies is Smertelijk als de dood
Een Vader en een Echtnoot
Die Vroom is van het Herte scheurdt;
Dit Lot viel Neeltje ook te beurt

         Godvrugte Weduwe

Gij wierd gedompeldt in de Rouw;
Doch wierd bemoedigt Vroome Vrouw!
In deezen weg van Smerte;
Wanneer de Dood niet slegts Uw kroost,
Maar ook Uw Man Uw Heul en Troost,
U scheurde van het Hert.

top

p.198
Gods Bondgenoot
leevd na zijn dood.

p.199
Zij was vol Moeds in dit geval;
Door Gods genade stond zij Pal;
Kreeg zo veel toevoer aan ’t gemoed,
Dat al wat Vader deê was goed.

Vers 2

Hij smaakte reeds de Zaligheid,
Al eer Hij wierd in Heerlijkheid
Door GOEL opgenoomen:
Hij ging U voor: - Houd U Constant;
Wyst ’t ongeloove van de hand,
Als ’t eens mogt boven koomen.

top

p.200
Gods weg is hoog,
Voor ’t eindig oog.

p.201
Als JEZUS ’t Hert met Licht bestraaldt,
’t Geloof dan moedig Zegenpraaldt
Maar zwigt dat Licht bij ’t Christendom,
Het ongeloof keerdt ’t Blaadje om,

Vers 3

Uw JEZUS die de Dood verslond,
Die Rotsteen , blijve Uw vaste grond;
De Steun van Uw vertrouwen.
Hoedanig dan Emanuel
Zijn weg ook rigt ’t is altoos wel;
Hij zal zijn woord toch houên

top

p.202
De dood ontbind
Ach wie? mijn Vrind

p.203
Nu nu verlustigd zich mijn Vrind,
In ’t bly HALLELU - JAH;
Een droeve Weduwe en een Kind,
Liet deezen Meester na.

Overleden 24-5-1790

De Dood die maaide U af en beide U in’t stof;
Een doodelijke Kwaal deed eindigen U leeven,
Regtvaardige, nogtans kon U geen dood doen beeven;
U tong met Zout besprengt, sprak altoos Christus lof
Ik mogt ja meer dan eens met U Q! Christen spreeken.
Tot zegen voor mijn Ziel - wat was U JEZUS goed:
En mij was ’t goed bij U - nu smaakt ge in Salems Streeken
Rust Vreede, Zaligheid, door ’t dierbaar GOËLS Bloed.

top

p.204
Alleen de Heer
Zij al de Eer.

p.205
Dees* dag die sluit de kring van Vijf en twintig Jaar.
Dat ik in ’t School de Jeugd tot Leermeester waar
Die zo veel Jaar geleên door Doctors tot de dood
Gewezen wierd, leeft nog: wat is Gods goedheid groot.

Looft mijn Ziel den Heer der Heeren!
Die U Vijfentwintig Jaar
In Uw School - post deed verkeeren,
Die Uw kragt in Zwakheid waar:
God de Hoorder der Gebeden,
Die in alle Eeuwigheid
Zij te Prijzen, Zij ook Heden
Al mijn lof en dank gewyd.         1 Sam 7 : 12

         * 2-6-1790

top

p.206
Lied ter Eere van JEHOVAH
wegens
Gods Langmoedige draaging
Getrouwe Verzorging
Vaderlijke Verschooning
Goedertieren Redding
      en
Kragtdadige Hulp en Ondersteuning

Bij gelegenheid der Viering van Schoolhouderschap
den tijd van
3-6-1765
tot
3-6-1790
Ps 115 : 1,
2 Sam 7 : 18,
1 Sam 7 : 12

p.207
Stem Psalm 9
         1
Aanbiddelijke Majesteit!
Die aller Schepslen Heere zijt;
Mijn tong en Hert wenscht U te prijzen,
Voor de onverdiende Gunstbewijzen.
         2
Wie ben ik Heer tot op deez dag!
Of wat mijn Huis! dat ik nog mag
Beleven dezen dag der dagen,
Die mij doet van uw trouw gewagen.
         3
Het is thans Vijf - en - twintig Jaar,
Dat Gij mijn Hulp en sterkte waar.
Ik zal (daar zo veel Weldaan leggen)
Met ’t Hert Eben Haëzer zeggen.
         4
Om dat O Heer! Uw goede Hand,
Mij een genoegzame onderstand
Geschonken hebt, zo dat mij ’t leven
Tot hier toe nog niet heeft begeven.
         5
Want als ik peins en Uwen Weg
Eens bij mij zelven overleg,
Wat is mij dan niet wedervaren!
Deez’ tijd van Vijf - en - twintig Jaaren.
p.208         6
Uw weg doch Heer was somtijds diep
En steil het Pad dat ik beliep
Nogthans liet Gij me in duist’re wegen
Nooit hulpeloos nooit heel verlegen.
         7
Gij matigde het kruis na kragt
Deed boven ’t geen ik bad of dagt
En toonde dus in allen dezen
Om Hoorder des gebeds te weezen.
         8
Waak op mijn Ziel! geevd Gode de eer!
Uw Hulp alleen is van den Heer
Wil Hem altoos Uw Helper heeten,
Zijn groote Goedheid nooit vergeeten.
         9
Ja geevdt Zijn grootheid Lof en dank
En prijst Hem met het Schel geklank
Van ’t Hert innemend Spel der Snaren
Dat Hert en tong zich daar meê paren.
         10
Ja! mijne Ziel laat dit niet na
Denk, wat er staat van Hiskia
Die geen velgeldinge en deede
Na ’t goed dat God deede op zijn béde.
         11
Maar groote God! een dooden Hond
Zal die met Hert en Ziel en Mond
(p.209) Al Uw Weldadighêen gedenken
Gij Zelv moet dan Genade schenken.
         12
Vergeev mij mijn Ondankbaarheid
En al mijn Ongeregtigheid
Mijn Dwaasheid, ook mijn Herten - plagen,
Die ‘k dag en nagt in me om moet dragen,
         13
Heer Jezu! Uw verzoenend Bloed
Verzoen mijn Schuld, vernieuw ’t gemoed
En wilt al mijn vermogens heil’gen
Draag mij nog, wilt my voorts beveil’gen
         14
Houd mij ter eer van Uwen Naam
Nog lang tot mijnen Post bekwaam,
en laat ik Dag aan dag bemerken,
Dat Gij o God! mij komt te sterken.
         15
En is mijn werk door Uwen Geest!
Niet ganschlijk zonder vrugt geweest,
Dit doet mij verder hoopend wagten,
Dat Gij mijn niet zult verachten.
         16
Ach! dat het Jeugdige gemoed!
Dat dertel zich met dwaasheid voed!
Op ’s Hemels raad eens kwam te letten,
Wil mij voor Hun tot Zegen zetten.
p.210         17
Leerdt mij ook waaken op de tijd
Die allervlúgtigst heenen glijd,
Al ’t ziels - nadeelige vermijden
En voor een Eeuwigheid regt strijden
         18
Ach! Groote Koning uwer Kerk!
Ik ben hier in een worstelperk
Maar komt de dood die mij doet scheiden,
Ach wilt mij dan toch binne - leiden.
         Amen.

Copya
van ’t Gedicht
van den Student
M Jongeneel
door zijn E.
mij bij die gelegenheid toegezonden.

Stem
De Lofzang van Maria

top

p.211
         1
Eerwaardig Heer en Vrind!
Wijl U mijn Hert bemint;
Zou ’t onbetaamlijk wezen,
Zo ‘k thans mijn vreugd bedwong
Zo ik niet vrolijk zong
Op éénen dag als deezen.
         2
Voorwaar dit is een dag
Die ‘k Heuchlijk noemen mag:
Dit is een dag der Dagen
Éen dag die mij verheugd
een dag die mij met vreúgd
Doet van Gods Trouw gewagen.
         3
’t Immers, Waardig Heer
(En Gode alleen zij de Eer)
Thans Vijf en twintig Jaaren
Dat Gij Uw Werk begon;
En God die Leevens - bron
Blijft U nog gunstig spaaren.
         4
Jehovah’s goede Hand.
Schonk daaglijks onderstand
Wilde U den Last verligten,
U Goël gav U kragt,
En doet (schoon ongedacht)
U, nog Uw Werk verrigten.
p.212         5
En hoe onschatbaar groot
Hij die uw bijstand bood.
En steeds voor U bleef waaken,
Wilde U voor ’t teder kroost,
Der Oud’ren Vreugd en troost,
Een nuttig Werktuig maaken.
         6
Het Jeúgdige gemoed,
Word trouw door U gevoed,
Met Schoone kúndigheden;
’t Werd door uw zorg en vlijt
Bewerkt en toebereid,
Tot Christelijke Zeden.
         7
Uw Zorg om in het Hart.
Door de Ydelheên verward
De zonde te verbreken
Uw lust, om in ’t gemoed;
De vrees voor ’t Hoogste goed.
En Godvrugt aan te kweken.
         8
Uw steeds getrouwen Raad
(Helaas te veel versmaad)
Om vroeg het Hart te geeven
Aan de Allerbeste Heer;
Om tot des Scheppers Eer
En Roem op aard te leeven.
p.213
         9
Uw Lessen uit Gods Woord
(Zo vaak met Last gehoord)
Uw vurige gebeden
Tot de Opper - Majesteit.
Om ’t pad der Zaligheid
De Jeugd te doen betreden.
         10
En waar Ge Uw meer in kweet,
Of wat Ge al verder deed,
Tot nut van ’t Jeugdig Leeven
Daar, daar van kan ook ik
Elk Uur, elk Oogenblik,
Een blij getuig’nis geeven.
         11
‘k Heb immers meede een tijd
Door Gods Voorzienigheid.
Wiens Roem ik moet vergrooten.
Ja ‘k heb bijna Vier Jaar
(Dank zij de Alzégenaar!)
Uw Onderwijs genoten.
         12
Ook is Uw Arbeid niet
Geheel vergeefs geschied
Gij kond van Zégen spreeken;
En dit, (het zij ter Eer
Gezegd van ’s Hemels Heer)
Dit ’s ook in mij gebleeken.
p.214
         13
‘k Gedenk met Dankbaarheid
Nog dikwerf aan dien Tijd,
Die ‘k bij U in mogt woonen
‘k Zal uit erkentenis
U, zo veel in mij is,
Mijn achting steeds betoonen.
         14
Mijn plicht is dan ook Nu
Mijn Meester! dat ik U
In’t kort mijn Heilbêe zegge
Dat ik mijn Wensch U uit,
En eer ik dit Vaers beslúit
Mijn Hart U openlegge.
         15
Ik wensch dat de Opperheer
Uw Jaaren voorts vermêer,
In gunst aan U blijv denken
Uw Zijne Hulp en Trouw
En Goedheid nooit onthouw
U nieúwe kragt wil schenken
         16
p.215 Zijn Liefd’rijk Vader - oog
Zie op U van omhoog
Blijve U in gunst beschoúwen:
Bewaare U dag en Nacht:
God sterke U door Zijn Kragt:
Blijv op Zijn Naam betrouwen.
         17
Smaak ’s Hemels Zegeningen,
Naar eisch van Uwen Koning
Nog eenen reeks van Jaren:
Ten nútte van de Jeúgd.
Uw Huisgezin tot Vreúgd
Blijve U Jehovah spaaren
         18
De Heer bekroone Uw Werk
En zijt ge in’t Worstelperk,
Hij leere U moedig strijden;
Tot dat Zijn Rechtehand
In ’t Hemelsch Vaderland
U Juichend in zal leiden.
      M. Jongeneel.

top

p.217
Een Vriendinnetje E.J. aan Haar Vriendinnetje A.G.D.B
Mijn Waardige Vriendin!
Die ik oprecht bemin;
Bij ’t meerd van uwer Jaaren
Wensch ik, dat ’s Hemels Heer
Uw Jaarkring voorts vermêer,
U, in Zijn Gunst blijv spaaren

Bewerke U door genaé
Mijn Liefste Alida!
Ja U, en my te zamen
Bereide Ons in de tijd
Voor eenen Eeuwigheid
Om Zijnen Zoons wil. Amen

Aan dezelve door Haar E. Meester

Liefhebbende Alida
Dit Vaersje komt wat spaê
Maar wilt die Pardonneeren
Mijn Wensch voeg ik er bij
Dat dit Uw taal eens zij
“Mijn Hert zij voor den Heere
      23-6-1790

top

p.218
Echt - verbintenis van den Heer B. Hageman en Mejufvrouw G. Brok 5-7-1790
p.219
Klink - Dicht
‘k Neem deel in Uw Geluk, ‘k verheug me Eerwaardig Paar,
Daar ‘k uw deez’dag beschouw als dierbaare Echtgenoote,
Die plechtig onderling het Houw’lijk hebt geslooten,
In ’s Heeren Tempel skoor, voor’t Heilig Echt - altaar.

Die God die na Zijn Raad U voegde bij elkaar,
Die wil (dit wenscht mijnhart) Uw vreugde en Heil Vergroten
Die Kroone deeze Uw Echt met frissche en blijde loten:
Die Zeg’ne al uw doen, die hoede U voor Gevaar.

Die spare U my Elkaar een lange reeks van Jaren;
Die doe U’t blij genot van Zyne gunst ervaren.
Zo gaa ’t uw Waardste nicht, in U Heer Hageman
Voor al neem Sions Heer Zijn Intrek in Uw wooning
Hij heersche in uw huis en in uw Hart als Koning
En brenge U eind’lijk eens in’t Hemels Kanaän.

top

p.220
‘k was Bosscher kwyt
in wynig tyd.

p.221
Bosscher in Vier dagen tijd
Door den dood nu Ziel - loos lijd
Daar Zij ’s Woensdags nog Gods woord
Nevens U heeft aangehoord

Obut 19 July 1790

Merk op, o wulpsche Jeugd! hoe ’t leven
Al is men Jong onzeker is;
Roept God de dood, wat kond ge’er tegen?
Gij moet dan voord, dat is gewis:
Al denkt ge ik ben nog Jong, mijn leven
Raakt nog zo Schielijk aan geen end;
Een reden daar ik van moet beven;
T is immers U genoeg bekend
Hoe dat de Schrikb’re dood de Jongheid koomt te vellen;
Ai hoordt dan JEZUS stem, en Schrik voor dood en Hellen.

top

p.222
ter 20ste Verjaaring van mijn Zoon ENGELBERTUS JACOBS
Mijn Zoon heeft God U Twintig Jaaren
Een rond getal nu willen spaaren,
Dankt Hem - Hij doe nog Jaren toe,
Een ruim getal bij uwe dagen
En wild Hem om genade vragen:
En word eens al Uw dwaasheid moe.
         U Heilzoekende Vader E.J.
         18-11-1793

top

p.223
Op de Herstelling van E K.
Mijn waarde ELISABETH heeft God U weer hersteld?
Dat hart en Tong en daân Zijn goedheid dan vermeld;
Erken het al uw leven:
Hij biede met dit herstel opnieuw genaa U aan
Hij zal indien gij hoorde en wilde naar JEZUS gaan,
In Hem Zich Zelve U geven
         16-8-1790

top

p.225
Aan mijn Vriend (M) Jongeneel
Mijn waarde Jongeneel myn wensch is dierb’re Vrind
Dat wyl de tyd daar is, dat gy U thans verbind
aan Utrechts Hooge School om U daar te volmaken,
Dat ’s Heeren Oog bij dag en nagt U wil bewaken
Hij trekke met U op verzelle U in uw woning;
omhelst Hem onbeschroomd aldaar als uwe Koning
Gij zult (indien Gij dit op Zijnbevel durft wagen)
In uwe Studien gewis gelukkig slagen.
De HEERE geeft het, en beware U lang gezond;
Bekwaame U ‘k wensch eerlang om Sions - Konings mond
Hij Zij voor dorpeling of Stedenaar te wezen
Om gul en blij en ruim te spreken zonder vrezen
‘k Hoop echter nu en dan uw aanschijn eens te zien;
En blijf en U ende Uw’ mijn Vriendschap steeds aanbiën.
         9-1790

top

p.226
’t Hoezéé geluid
Galmt lustig uit.

p.227
Op ’t Vorstelijk Bezoek
Vorst WILLEM mijn zijn GEMALIN
Ja’s Princen gantsche Huisgezin
Ook KAREL, LOUISA’s gemaal
Vind thans bij ‘volk een blij onthaal.

Dus Juicht de Gijsbregts Stad daar zij een zestal ziet,
Vam ’t Edel Nassouws huis, thans binnen Haare muren
Den waare Patriot (hoe zeer de nijd mag gluren)
Verheft thans weer zijn stem tot hem die ’t al gebied
Dat Hij dien Edelen Stam, bescherme door Zijn Hand
En tot een Zegen zet voor Kerk en Vaderland.

top

p.228
Ter Zilveren Bruiloft van mijn Vriend Cornelis Hilbrink & Vriendin Anthonia van Beek Voorgevallen den 6de van Slagtmaand 1790
p.229
Klink - dicht
Heer HILBRINK en Vriendin ’t Zij mij gegund op Heden,
Om U mijn harte wensch naar Eisch van deezen dag
Te ontvouwen, daar gij thans gedacht’nis houden mag
Van Uwe Echt nu Vijf en twintig Jaar geleden.

Dat nu en Mond en Hart, den hoorder der gebeden
Thans vrolijk lofzang zing gepaard met diep ontzag:
Gij hebt daar gij uw Echt met Zaad betrouwen zag
En Zegening omringt daar toe dan alle reden.

Och ! mogt God in zijne gunst U nog een reeks van Jaren
Ten nutte van uw Huis U bij elkander sparen:
En elk naar Stand en weg vervulle met genaâ

Wil bij aanhoudendheid het toch naar JEZUS wenden;
Voor U en voor uw huis Uw Smeekstem troonwaards zenden
De Heer vervull’ mijn wensch Looft God Hallelujah,
         Uit Achting

top

p.230
Voorjaar - dicht
voor een mijner geweezen Kost - Dicipel
      Aan zijne Moeder

Mijn waarde Moeder! wijl gij door ’s Hemels zegen
Deez dag een halve Eeüw in jaaren hebt verkregen
’t Geen mij tot blijdschap strekt, en zo koom ik volgens plicht
en doe U deeze Wensch eerbiedig in gedicht!

De Bron van waar geluk, van Leeven en van Zeegen
Wiens Hand U schraagde en U bewaarde in al uw wegen
En thans aanschouwen doet deez’Heugchelijke dag,
Dat die, O Moeder! U nog lange sparen mag.

Hij zij Uw hulp en kragt Hij wil U rijk’lijk zeg’nen
Och dat U nimmermeer iets kwaads op aard bejeg’ne
Voor al dat beste deel, het welk de Groote God,
In Christus schenken wil, ook zij Uw deel en lot.

Mijn Moeder! zal ’t eens zijn (ik wensch na vele jaren
Zo ’t zijn mag) dat uw Ziel eens zal uit ’t Lichaam varen
Ge U dan bevinden moogt voor Jezus rekening
Op dat ge Eeuw uit, Eeuw in, het Hallelujah zing.

top

p.231
Vaderlijk Verjaardicht aan mijn Zoon
         1
Mijn Zoon ! ’t is Gods Verdraagzaamheid
Dat Hij U wederom deez’tijd
Deez’dag van uw Verjaaren
Doet zien zodat uw jaargetal
Nu Zeventien bedragen zal;
Zo wilde U God nog sparen.
         2
Ach! dat ge in waare Erkentenis
Dien God die Uw formeerder is
De Eere kwam te geeven
Hij heeft U op den dúúr bewaard
Hij is’t die nog Uw adem spaard,
’t Is God de bron van ’t Leeven.
         3
En zo U eenmaal aan mogt staan
Een Vader - raad hoor aan ’t vermaan
Mijn Zoon! Vreest toch den Heere!
Gods vreez’ daar die in ’t Herte ligd
Doet (als de wijste Koning zegd)
De dagen steeds vermeêren.
p.232
         4
Het scheen wel dat Gij eertijds liep
’t Was, of U God kragtdadig riep,
Uw Hert scheen zeer bewogen.
Gij boog Uw knieen voor den throon,
Gij naamt den toevlugt tot Gods Zoon
Maar ach! ’t is ras vervlogen.
         5
Wat hebt Gij doch bij God gezien?
Waar om ging Gij Gods Zoon ontvlien?
Wou Hij geen kind’ren hooren?
Of kon de dierb’re Emanuël
Die Zondaars red van dood en Hel,
Uw Ziele niet bekoren?
         6
Mijn Zoon! ai! hoordt toch Jezus stem
Zijt ge afgekeerd? keer weêr tot Hem
Bij Hem is veel genade
‘Hij is een zeer langmoedig Heer,
Val maar voor Zijne voeten neêr,
Gij komt nog niet te spade.
p.233
         7
Sla toch dien Raad niet in den wind:
Die Jezus zoekt, die Jezus vind,
Maar zo Gij niet wilt hooren,
Maar Gij de Waereld meer bemind,
Ik waarschoúw U mijn lieve kind
Gij gaat gewis verlooren.
         8
‘k Zeg dan nog eens hervat het weer
Gij hebt te doen met eenen Heer,
Die rijk is in Genade
Een yder die afkerig is ,
En Jezus ter behoudenis
Verkiest , komt niet te spade.
         9
Daar bij, was dit mijn Vader - raad,
Dat zo U dit gedicht aan staat,
Gij ’t eens per week wilt leezen,
En zúcht “Sla toch Uw oog Ô Heer!
Op Mij en op mijn Zusters neêr,
“Leer mij en Hun U vreezen!
p.234
         10
Voorts is mijn Bede, dat de Heer
Uw Leevens - dagen nog vermeêr;
Gedúrig wil bewaaren
En houden U gezond en sterk;
Hij wil U helpen in uw werk;
En eind’lijk Zalig maken,

UE Liefhebbende en Heilzoekende Vader Engelbertus Jacobs
         18-11-1790

top

p.235
Aan Mijn Oudste Dochter
         1
Het is de negentiende keer
Mijn Dochter! dat Uw jaardag weêr
Verschijnt - Ik wensch, de Heer der Heeren,
Doe U in waar Erkentenis,
Hem die Uw grooten Schepper is,
En uw Bewaarder, Needrig leven.
         2
Erkent, de Heer heeft al dien tijd
Van U zijn groote Goedigheid
Tot deezer Uur niet willen weeren
Het past dan, dat Uw Hart en Mond
Op deezen dag, ja ’t elken stond,
Ootmoedig, dankend tot Hem keeren.
         3
Mijn Wensch is dat der Schepslen Heer
Uw Leevens - dagen voorts vermeêr’
Uw in Zijn Gunst nog lang wil spaaren:
p.236 Voor Smerte - Ramp of ongeval,
Of wat den mensch in ’t traanendal
Bejegend wil Hij U bewaaren.
         4
Hij vestig’ Zijn genade - Oog
Op U mijn Dochter van omhoog
En leeren U het Need’rig knielen
Om Schúld - verzoening bij den Throon,
Tot dat Emanuel Gods Zoon
Uw Borg, in ’t deel zij van uw Ziele.
         5
Ai! zoekt dan toch Emanúel!
Hij eischt úw Hart; Hij roept U wel;
Hij zal U, zo gij koomt, ontfangen;
Hij heeft dat bij Uw Doop verklaard;
Ach! schat Hem toch Uw Herte waard!
En zoekt zijn aanschijn met verlangen.
         6
Al moest gij dan in tegenheên
ook wand’len, hier op aard beneên
Zo hoeft gij echter niet te vreezen;
p.237
Waar alles werkt naar Gods Raad,
En al wie zich op God verlaat,
Zal Hij in nood een Toevlúgt weezen.
         7
Gedraag U altoos Rein en kúis,
En wilt U plicht hier in dit húis,
Als kind, naar ’s Heeren wil verrigten
Zo veel gij kúnd zoek ’s Moeders zin
Omtrend U zelfs, in ’t Huisgezin
Te doen en help haar last verligten.
         8
Denk voords, “mijn Vader die is zwak;
“Kampt daaglijks met veel ongemak;
“’k Zal moog’lijk die ook haast verliezen:
“en daarom, Héden dezen dag
(En Och! dat zulks mijn Oog eens zag)
“Zal ik nog God in Christus kiezen.
         Als vooren
         27-11-1790

top

p.238
Per 73ste Verjaring van mijne Schoonmoeder Johanna Lette,
Weduwe van H.Kroese voorgevallen den 15den van
Wintermaand 1790.

p.239
Stem Ps.38.
of op de Wijze
Komt Jehovah’s lievelingen
         1
Geeft de Groote Albehoeder,
U, O Moeder,
Deezen dag weer juichend stof?
Als een dag van uw verjaren,
ook mijn jaaren
Moeten dichtend tot Gods lof.
         2
Tien maal zeven en drie jaren
’t Zaam zich scharen
Maken thans uw ouderdom
Duizenden dit niet beleeven
Veele sneven
Daar ’t niet tot die hoogte klom.
         3.
Geef dan de eer aan’t Opperwezen,
Die in deezen
Eeuwiglijk uw drager is:
Wil het weldoende Alvermogen,
Steeds verhoogen
Die de bron van ’t leven is.
p.240
         4
Ja, Ik wensch, die bron van ’t leven,
Die wil geeven
Kand het met zijn raad bestaan
Dat uw jaarkring nog vermeere
Hem ter eere
En het U voorts wel mag gaan.
         5
Zijn hand blijve u gunstig dragen
en de plagen
van den hoogen Ouderdom,
wil hij gunstig van u weeren
Ja, de Heere
Die bewake U van rondom
         6.
Doch zou ’t in dien eengen Zegen
Zijn gelegen?
Neen, mijn wensch moet verder gaan
’S menschen Ligchaam klein in waarde
Keert tot de aarde,
’t Komt dan op de Ziele aan.
         7.
Ach, mijn moeder mogd den Heere
U dan leeren
Wat er voor eene Eeuwigheid
wordt vereischt om wel te sterven,
en te erven
’t Koningrijk der Heerlijkheid.
p.241
         8.
Dit ’s voor veelen toch verborgen,
’s menschen zorgen
gaan maar over ’t tijdlijk goed
Maar, Hij wil zijn ziel niet kwellen
Hoe hij ’t stellen
Zal, indien hij sterven moet.
         9.
Immers ’t is zoo, van nature
’t elken ure
Zijn wij in den grootsten nood
van te werden overvallen
Ja, wij alle
Door de schrikbre bleeke dood
         10.
O Hoe noodig dan te maken
om te raken
voor des Heilands rekening
op zijn roepstem tot Hem komen
Zonder schroomen
Als een gansch ellendeling
         11
Ach, ik wensch, dat dit de Heere
Zelve u leere
Hoe de weg ten leeven leid
Hoe men moet als Zondaar komen
Tot de stroomen
Van des Borgh - geregtigheid.
p.242
         12.
Hoe ons Jesus in zijn wonden
Moet van zonden
En van schmed en straf ontdoen
Ons het regt tot ’t eeuwig leven,
Weder geven
Door zijn dierbaar Los - rantsoen
         13.
Blijft een mensch hier onverschillig
En onwillig
Heeft hij in dien weg geen zin;
Op wat grond zal Hij ’t dan wagen?
moet ik vragen?
Stapt Hij de eeuwigheid zoo in?
         14
Moeder, wilt dit overwegen
Hoe ’t gelegen
Is, in deezen met uw ziel,
Zoude uw einde als dat der vromen
wel uitkomen,
Als de dood u overviel.
         15.
‘K’ Hoop, en wensch, dit’s mijn begeeren
Dat de Heere
Zijn meedogend, liefdrijk oog
Op u vestige, u gedenke,
U wil schenken
Zijn genade van omhoog.
p.243
         16.
Hij geeve in uw hooge jaren
U te ervaren,
Dat hij u krachtdadig trekt:
Dat Hij u in’t hart wil geven
Geestlijk leven
En u met zijn heil bedekt.
         17.
‘k Zal het hier bij laten steken
En wil smeken
Tot den Grooten Emanuel,
Dat Hij u mij en de mijnen
Als de Zijnen
Eeuwig ?oyd van dood en Hel.

         ’t zij zoo
         UED ond. Dw. Dr en Beh. zoon
         Engelbertus Jacobs

top

p.244
Aan mijne Jongste Dochter. (Elisabeth Jacobs)
Gij moogt Elizabeth, thans op deez dag beleeven
Dat God U ’t jaargetal van Dertien heeft gegeven
Dit is uw levenstijd, die God U op deez’ aard
Thans geeft, hoe goed is God, hoe heeft hij u gespaard
Dat gij uw maker daar voor zijne gunst bewijzen
Op deezen Sabbathdag met Hart en mond moogt prijzen
Dit komt Uw schepper toe die u langmoedig draagt
En een erkennend hart de Heere zeer behaagt
Bid God dat ’t hem behaag’ uw dagen te vermeeren
Dat Hij u door zijn Geest, den regten weg wil leren
Dien Gij bewandlen moet zoo gij zijn gunst wilt zien
War gij betragten moet en wat gij moet ontvliên
God geeve u lust voor Hem uw knieën zoo te buigen
Dan wordt ge ook wis verhoord, dat ken ik u betuige
Dit is uw vaders raad op deezen Sabbaths - dag
Daar gij wel oog en oor en Hart naar neigen mag
Bid daaglijks lieve kind, Bid in de eenzaamheid
Doe dit in ’t heiligdom, ja doe dit te allen tijd
Stel prijs op ’s Heeren woord, wil u gehoorzaam dragen
Zo zult gij God en ook uw Oud’ren behagen
Denk dikwijls om den dood en word hier voorbereid
Voor een on eindige en zalige Eeuwigheid
         Uw Liefhebbende Vader
         9-1-1791 E.J.

top

p.245
Aanmerking Over Math : 5 : 4.
Kindren zalig zijn die treuren
Als het is van ’t regte soort;
Jesus zal dat hart opbeuren,
Dit getuigt hij in zijn woord.

Daar dit treuren wordt gevonden
Daar erkent men zijne schuld; -
“Daar ziet men vervuilde monden;” O…
En waar ’t hart mee is vervuldt;
Daae is’t: Jesus moet mij helpen
Die mij alleen helpen kan
Of mijn geest zoude overstelpen
Kent ge O Jeugd! daar ook iets van?
         15-12-1790

top

p.245
Het eind van t’jaar
Was bang en naar.

p.247
Op de zware mist,
De laatste jaaring’s avondstond
Ons God zoo’n zware mist toezond,
Dat menig een nog op dien tijd,
De stap moets doen naar déeuwigheid.

Vrijdag 31 Xber 1790.

Ontzettend avond uur! daar zoveel arme zielen,
Door zware duisternis der mist in’t water vielen
Hoe akelig en bang klonk ’t naar geroep in de ooren
Zelfs ’t wigje pas gedoopt moest met den ouders smooren
Geen pek - krans, kaars of toorts kon hier Gods oordeel keeren
Gods doen is majesteit, O jeugd zoek toch den Heere.
         31-12-1790    E.Jacobs

top

p.248
Hetgeen God doet
is altijd goed.

p.249
Op de genezing van den Heer K..
Deed Hij die ’t al regeert,
Aan uw Hand zijn hand ontmoeten
Waarde Heer, Gij hebt geleerd
Hoe we afhanglijk leven moeten.

* Rustdag 16 Juni 1791

Geluk mijnHeer, en Waarde Vriend!
Hij S’Heeren Goedheid onverdiend
Zoo gunstig aan uw hand genezing kwam te schenken
Gij Gaaft uw Bond - God, en uw Heer
* In’t Heiligdom daarvoor al de eer:
Hallelujah, looft God, die nooit zijn trouw zal krenken.

top

p.250
Voor Watersnood,
Staan we altijd bloot.

p.251
Op den Watervloed Woensdag 2 February 1791.
         Ps: 29 . 10

Hij, die is met majesteit,
Koning tot in eeuwigheid,
Gaf bevel aan stroom en winden,
Die ons dreigeden te verslinden.
         Jes : 32 : 2
O. Jeugd! geloofde gy dien vloed
En wind, ik meen Gods toorne gloed
Gy zogd’verberging voor die stroomen
Bij Jesus, dáár men voor dien wind
En vloed een veilge Schuiplaats vindt
Zoo veele waarlijk tot hem koomen.

top

p.253
Al heet men al Gereformeerd,
En ondertussen onbekeerd
En buiten Jesus voort blijft leven
Dat zal geen zalig einde geven.

Tot mijn behoudenis heb ik volstrekt van noode
In ootmoed en geloof te vlugten tot Gods zoon:
Met all’mijn schuld, dit tuigt Gods woord my
En zijn boden,
Tot zijn geregtigheid als een genaden - loon
My toegerekend werd en een veranderd herte
Zoo erve ik Zaligheid in steê van Helsche smerte.
         25-5-1791.

top

p.254
Ter 15de Verjaaring van Mejufvrouw Aleida Gesina De Bull
voorgevallen de 13de van Weidemaand 1791
p.255
Klink - dicht
Is tweeden Pinksterdag een dag van uw verjaren?
Wat is Gods goedheid groot mijn waarde Alida;
Dat oog van ’s Hemels Heer, dat op u was, zoodra
Gij ’t levenslicht aanzag, ‘dat óog blijve op u staren.

En wil bij ’t Vijtiental er nog een reeks van jaren
Toevoegen in zijn gunst. Hij sla uw ziele ga
Bekrone uw jeugdig Hart toch vroeg met zijn gena
Bevryde u op den duur voor rampen en gevaren

Bij deez’gelegenheid zij ’t U geen displaisir
Mejufvrouw, dat ik u dit Boekske van Fruytier
(Alschoon ’t wat is gering) uit liefde u koom te schenken
Tís mij in vroegre tijd wel eens tot nut geweest
En Gij, ik twijfel niet, zult ook, zoo gij het leest,
Aan een weldadig God, uw Schepper wel gedenken.

         Uit achting
         U.E. Liefhebbende en Heilzoekende
         Meester
         E.Jacobs

top

p.256
Van mijne Jongste dochter (Elisabeth Jacobs) aan dezelve.
         1
Mijn Waardige Vriendin
Die ik opregt bemin
’t zij mij gegunt op heden,
Daar ge uw geboortedag
Deez’Pinkster vieren mag,
U te uiten mijne bede.
         2.
Dat ’s Hemels goeden Heer
Uw jaarkring zeer vermeêr;
Hij blijve voor u waken,
Dat nimmer ramp of druk
of eenig ongeluk,
Mijn waarde, u genaken.
         3.
Mejufvrouw Alida,
Dat ’t oog van zijn genâ
U gunstiglijk bestrale.
Dit is mijn wensch en beê
En och of God dit deê
gen zê zou roem behalen
         4.
En dat ook mijne ziel,
Dit eens te beurte viel,
Ik hadde niets te vreezen
God schenk’het onze jeugd
Op dat de ware vreugd
Ons eeuwig deel mag wezen
         U.E Herts - vriendin
         E.J.

top

p.257
Op de Afbranding van ’s lands Zeemagazijn in den nacht tusschen den 5den en 6den July 1791.
Wat zwaren slag voor stad en land,
Heeft uitgewerkt dien zwaren brand?
Die ’s lands Zee - magazijn aan’t Y,
op éénen nacht in de Assche ly.

         Op de Gissing

De middeloorzaak wil men gissen,
Maar hooger ziende zal’t niet missen
Te denken *daar geschied geen kwaad,
Als ’t Albestier het niet toelaat
Dus de oorzaak mag dan zijn zoo wil,
Het leid er toe; men zwijge stil
En peinzen eens met wat voor schuld
In land en stad al is vervuld?
De God van Neêrland wil in deezen,
Elk onzer hier ten Leeraar wezen.
         *Amos 3:6

p.258
Sta overal
Voor warheid pal.-

top

p.259
Op de Herstelde Lutheranen
Hersteld roemwaardig Lutherdom
Mijn Hart dat zong in wellekom
Toen ‘k zoo veel volk zag toegekeerd
Dat Luthers Echte leer waardeert.

Woensdag - Avond den 3. Aug. 1791

Zoo zorgt God voor zijn Eer en Leer, dit bleek op heden
Toen ‘k met het Broederdom het Godshuis in mogt treden
En zag Heer Hamelau, ten gasthuis kansel staan
En hoorde zeer vernoegd zijn preek met indruk aan
Mij dacht dat ‘k duidlijk hier den vinger Gods kon merken
Dat dit een zichtbre blijk was van des Hoogsten werken
Dit kenmerk bragt het meê - Nu ’t is mijn wensch en beê
Herstelde Broederschaar, God zij u altoos meê
         *Hand: 2, 12a

top

p.261
Sluitvaers. bij de laatste Catechisatie in ’t jaar 1791.
Kindren! binnen negen dagen
Is dit jaar weêr aan zijn end
‘k moet u hoofd voor hoofd eens vragen
of gij nog dezelve bent
Ach! wie weet voor ’t nieuwe jaar
Staat gij mooglijk op de Baar.
Om u zoo naar ’t graf dragen
Waar dan uwe ziele heên?
Daarom Jeugd! gij zijt gebeên
Wildt toch naar uw schepper vragen,
Ach! wat ik u bidden mag!
Doet het zelfs nog dezen dag!
Jesus wil nog kindren hooren
Doch, zoo gij mijn raad veracht
En de dood komt onverwacht
Weet dan dit gij gaat verlooren.

top

p.262
God van zijn troon
Schonk ons zijn zoon.

p.263
Op de prediking als Student te Sloterdijk, door mijn vriend H.Jongeneel,
Rustdag den 8 July, 1792

Dit was in Sloterdijker kerk
Mijnvriend ook de inslag van uw werk
Gods liefde in Christus geopenbaard
Hebt gij voor veler oor verklaard.
         Text 3 Joh. 4. 9

Mijn Jongeneel, die prediking
Die waardig van uw tonge ging
Heeft algemeen voldaan; wij mogten ons verblijden:
Zet voorts in ‘sHeeren mogendheid
Uw studie voort: haast komt de tijd
Dat me u als Godsgezant den tempel in ziet leiden.
         E.Jacobs

top

p.265
Hebt gij lust tot waar geluk?
Zoekt dan Jesus mijne kinderen
Wilt u in dit gewigtig stuk
U door niemand laten hindren.

Onontbeerlijk

Jesus is een kindervrind
Kinderen, die tot hem komen
worden van hem teêr benind
Alle worden ze aangenomen
Jesus zal dezulken geven
’t eeuwig, Heerlijk, zalig leven.

top

p.266
Verhard ge uw hert
Wagt smert op smert..-

p.267
Heeft uw zonden - lievend hert
Gantsch geen lust tot ’s Heeren vreeze
Eeuwiglijk zal smert op smert
Wee en ach! uw deel dan wezen.

Waarschouwing

Wildt gij niet tot Jesus komen,
Op zijn vriendelijke raad?
Kindren! gij moest dan wel schromen
Als ge eens voor dienRichter staat!
Jesus zal die hem niet zoeken,
In dien oordeelsdag vervloeken.-

p.269
Heer! doe uw volk uw gangen zien
En doet ze in ootmoet tot u vliên:
Zij zijn gewoon in bange dagen
En land en kerk U op te dragen.

         Proverb : 22 : 3,
         27 : 12

Wat hoort men niet al redeneren
Van s’lands gesteldheid? menigeen
Zegt stout genoeg wat zou ons deren?
“Ik vrees niet. Maar waar moet dit heen?
Ach, naamt gij met den Bijbel - raad
Ligt kwaamt gij wel tot andre praat!

         21-11-1792

top

p.270
De zuivre leer
Is Neerlands eer.

p.271
Die oogen heeft en gadeslaat
Wat thans op ’t aardrijk ommegaat
Die mag wel bidden dat de Heer,
Uit Nederland zijn kerk niet weêr.

         Gebed.-

O Hooge Majesteit! wiens Koninglijke troon,
Gegrond legt in het bloed van Christus uwen zoon
Vermeerderd en bewaard uw dier gekochte kerke:
Verydel en verstoor daar toe die snoode werken
Van ’t rijk der duisternis met al die slinksche zonden
Dan valt o Vorst uw eer uit aller vroomen monden
         28-11-1792

top

p.272
Gods woord bevat
Den eêlsten schat.

p.273
Vrage.
Wat zou gij wel van deeze kiezen,
Als ge een van beiden moest verliezen,
Den Godsdienst of uw aardsche goed,
Wat is’t dat u meest vreezen doet.

Antwoord
Die geen die Godsdienst kan ontbeeren
Kent noch zichzelven, noch den Heere
Die weinig met Gods kerk op heeft,
Is ’t evenwel ook hoe hij leeft;
Maar ’t hart dat zich in God voldoet
Keurt Godsdienst voor al’t aardsche goed.
         12-12-1792

top

p.274
God op ’t gebed
een volk uitred.

p.275
Hoezeer de Duivel knerssetand,
Wanneer Gods volk voor kerk en land
Geloovig roept, nogtans God let
Op’t noodgeschrei, Hij hoort, hij redt

Dankstond 10 april 1793

Neerlands God, den God der Goden
Die zijn volks vertrouwen zij;
Heeft verlossinge geboden;
Merkte op het noodgeschrey
Heeft het rot der Koningmoorders
Nevens Neêrlands Rustverstoorders
In zijn trotschen waan beschaamd;
Hij zal daarvoor de eer ontvangen
Naar dat dank uur we al verlangen
’t geen elk waar Bataaf betaamd.
         9-4-1793.

top

p.276
Der vromen Heiland
verjaagt hun vijand.-

p.277
Deez avond vijfde Bedestond:
Roept Gode aan uit s’ Herten grond
‘Dat hij ons verder wil bevrijden
En blijve gunstig voor ons strijden.
         Bedestond
         24 April 1793.
Mogten wij een dankuur houden
Veertien dagen nu geleên
Daar de Hoorder der gebeên,
Hen verdreef die ons benauwden
Bid dan verder dat de Heer.
Onzen vijand ga te keer.
         21-4-1793

top

p.278
Roept biddend Heer
Mij toch bekeer.

p.279
Hebt gij lust om God te vreezen?
Woudt gij graag bij Jezus wezen?
Kindren! bidt dan dat de Heer
U door zijnen Geest wil trekken;
’t waar geloof in uw verwekken,
En u zoo tot Hem bekeer.-

top

p.280
Op de Bevestiging en Intrede van Den Wel. Eerw.Heer H.Jongeneel
als predikankt in de Gereformeerde
Gemeente J.L. te Ede
den 26ste van Bloeimaand 1793

p.281
Zou ik mijn waerde Vriend, mij thans ook niet verblijden
Daar God u op deez’dag in ’t Geldersch kerk-gebouw?
als Herder heeft gesteld om’t Edes volk te weiden
En dat uw eerste dienst? dan handelde ik ontrouw.

Neen ‘k richt het al wat groots dat God mij doet beleven
Dat een die k’ eertijds had vóór meer dan zeven jaar
Als leerling in mijn School, die ‘k onderwijs mogt geven
Is in den Rij geplaatst van s’Heeren Priesterschaar.

Heb ik bijna vier jaar uw meester mogen wezen
En is mijn arbeid, ook met opzigt tot uw geest
Van eenig nut geweest? (Daar God voor zij geprezen)
Dit sterkt de vriendschapsband dan nog wel ’t allermeest

Ja ‘k vier mijn zangstem bot, en wil mijn vreugde paren
op dezen blijden dag van uw bevestiging
Met ’t vroolijk oudrenpaar die nu in U ervaren
op een bijzondre wijs des Hemels Zegening.

Mij dunkt ‘k zie op ’t gelaat van Vader en van Moeder
Dat ja! aandoenlijkheid uit beider oogen straalt
Nogtans inwendig blij - Zij looven dÁlbehoeder
In stille werkzaamheid zij zien hun zorg betaald.

p.282
Zij zien hun eenig op Edes Kanzel treden
Uw maagschap hoort U ook op dezen blijden dag
Het Evangelium, zoo vol van Heil en vrede
Verkondigen, dat elk voor zich omhelzen mag.

Driewerf gelukkig dien, die als een knecht des Heeren
In’t heilig dienstwerk voor het heil der ziele waakt
Die alzins tracht te zijn een voorbeeld in de Heere
Die door zijn wandel Sticht, die zoo zijn Dienst volmaakt.

top

p.284
Ter 17e Verjaaring van Mejufvrouw ALIDA GESINA de Bull
Voorgevallen den 13de van Wiede - Maand. 1793

p.285
Mejufvrouw en Vriendin ‘k erinner mij thans weder,
Dat in deez Wiede - maand en wel deez’juiste dag
Uw Jaarkring weer begind - ik vatte dan mijn Veder
Weer op, en ach! dat God mijn wensch U geven mag.
Zo is deeze waardste Dit (vergun me U zo te noemen)
Dat God die Vier maal Vier , met nog een Jaar, u gaf,
U nog een reeks van Tijd doet op zijn goedheid roemen
En weere allerlij Eelens van uw af.
Hij wil een ruime reeks van Jaren U nog schenken
Hij neeme U zwakheid weg; vernieuwe zo uw kragt.
En boven al wil Hij in Lievde aan U gedenke
In Christus, die alleen voor Zondaars Heil aanbragt.
Mijn Waerste! ‘k wensch den Heer wil uit genade uw geven
Dat gij Uw Jeugdig Hart aan Jezus vroeg verpand;
Dan zal geeb Duivel, dood of Hel U ooit doen beven:
Welaan Mejufvrouw koom, geef Jezus Hart en Hand:
En volg ook mijnen Raad, wil waarheid onderzoeken
de beste Wetenschap - die zich met Waarheid voed;
Uit’t Heilig Bijbelwoord en and’re goede boeken
Kiest de allerbeste strijd Zo heilrijk voor ’t gemoed:
Dit is dan ook de reen deez’Boekskens U te geven
In hoop gij ’t niet versmaad: de gift is wel wat klijn,
’t Zij echter U tot nut - Ik groete U - daar beneven
Zal ik zo lang ik kan altoos Uw dienaar zijn.
en Heilzoekende Meester E.Jacobs

top

p.286
Bij mijns Vaders Wensch in deezen
Voeg ik mijne Herts Vriendin!
Dat het goed doende Opperwezen,
U uit loutre menschen min
Al dit goede doe ervaren
Eenen ruimen reeks van Jaren.
Tot zijn Heerlijkheid, en ach!
Mogt den Heer ook mij gedenken,
Ons en al de onze schenken
’t Geen ons ’t Zaligst wezen mag
         U E D W Dienaresse en Vriendin
         Elizabeth Jacobs

top

p.287
Het Uur geschikt tot Bedestonden,
Word thans het Negende bevonden
Ach! dat der Legerscharen Heer
De Indrukkeloosheid toch van ons weer.

         Negende Bedestond
         19 Juny 1793

Wij houden nu nog bedestonden
Maar als men op de opkomst let,
Hoe weinig komen tot ’t Gebed
Hoe wierden eertijds vol bevonden
De Heiligdomme, doch het scheind,
Dat de indruk langs hoe meer verdweind.

top

p.288
De dood ontziet
de Jongheid niet.

p.289
Justus Mey, uw Schoolgenoot
Is ontbonden door de dood
Zeer opmerkend sprak dit Kind
’t geen men maar zo zeldzaam vind.

Overleden 22 Juny 1793
Begraven 25 dito

Zo is O dert’le Jeugd! op nieuw U weer gegeven
Een voorbeeld, hoe de dood de Jeugd ook nederveld
Och! merk het toch wel op hoe iedel is uw leven?
Dat word U télken keer nadruklijk voorgesteld.
Geloofd het toch O Jeugd! die niet is weer geboren,
En Sterft dus onbekeerd die gaat gewis verloren.

top

p.290
Tiende Bedestond 3 July 1793.
Wij worden thans weer op ontboden
Ten Zeven Uuren in de Kerk;
Om in het plechtig bidstondswerk
Tot God te roepen in ’s Lands nooden
Dat in Hem tegen ’s Vijands woen
Ons Volk mag kloeken daden doen.

top

p.291
Graf Schrift
Hier rust in ’t somb’re graf JUSTUS CORNELIUS MEY
Die na den Geest zig vind thans in der Seraphs rey.
Die onderworpen & Gehoorzaam was in ’t leven,
Aan Oud’ren, en aan die Hem onderwijs moet geven.
Wiens bed een BETHEL was, zelfs in den bangste nood:
Wiens godgewijde tong zelfs Juichten in den dood:
Die meer door Gods genae op’t doodbed leerde ervaren
van onmagt en van t Heil, dan and’ren in veel Jaren:
Die in zijne Oud’ren en ook die die in’t vertrek
Zich vonden, onderhield met godgewijd gesprek
Reikhalzend haakte Hij na ’t einde van den strijd
En na ’t vol genot van ’s Hemels Heerlijkheid
Dit Kind dit zeldzaam Kind, dat de Oud’ren zo betraanden
Strief Negen Jaren oud en nog geen zeven maanden.

top

p.292
Twaalfde Bedestond Ultimo July 1793.
De Eerbied voor het Opperwezen
Vevuld ons Hart met diepe smart,
Den Schouwburg weer geopend werd
Zal dat den Heer behaaglijk wezen?
O Jeugd! hij die dien dagon eerd,
Heeft nooit nog regt voor God verkeert.

top

p.293
Den 7de Augustus 1793
Waartoe schiep God my op deez’aard?
En waarom nog zo lang gespaard?
Vroeg gij dit wel U zelf eens af?
Als God U een Verjaaring gaf?

         Verjaaring

Dank zij uw Naam, o Heer der Heren!
Die mij nog boven and’ren spaard;
En weer een Nieuwe Jaarkring schaard:
Ach ! wil mij tog gedurig leren
Om ernstig in een Handbreedstijd
Te werken voor een Eeuwigheid.

top

p.294
Drijf toch met God
geenzints den spot.

p.295
Van den Avond weer een Dankens - Stond
Op onzer Heeren hoog bevel:
De oprechten, ja die meenen ’t wel
Maar Ach! dat men geen Baad hier vond

Dank - stond
14e Augustus 1793

MAINTS, CONDE en VALENCEINNE,
Uit des Vijands Klauw gerukt,
Brengd der Fransche - magt aan’t Kwijnen,
Daar hun doel hun gantsch mislukt:
’t Zal daarom ons werk ook wezen,
de Eer te geven ‘Opperwezen;
Elk een zegg’de HEER is God:
Maar! Zal men Hier regt verkeren,
Schrik dan om de Baal te Eren,
Of men drijft met God den Spot.

p.296
Hoe dreund uw Huis
van ’t Lof - gedruis

top

p.297
Hersteld roemwaardig Lutherdom,
Verheft Gods goedheid nu alom;
Paar met het Speeltuig Hart en Stem:
Aanbid zijn Naam verheerlijk Hem.

Op de Inwijding van het Nieuw Kerk - gebouw
den 28e Aug en den 1e September 1793

Hebt ge in ’t einde uw wensch verkregen
Broed’ren ! ‘k ben met U verblijd
God gebiede nu zijn Zegen,
In ’t gebouw Hem toegewijd:
Laat de Nijd maar Last’ren, Smalen;
Hij die U deed zegenpralen,
En het dus ver met U bragt
Wil Uw overige zaken
Naar Uw Wensch voorspoedig maken,
Zegene ook Uw Nageslagt.

top

p.299
Wierd Gij Heer ROOS! zo door den dood
In’t best Uws levens afgesneen?
En dat door ’t breken van uw Been?
Ach! waar staan wij niet al voor Bloot?

Overleden Pr(imo) September 1793
Begraven den 3de dito.

Gij wierd gedompeld in den Rouw;
En wierd zeer ras o! zwakke vrouw!
Een Weduwe en Uw kroost dus Vaderlooze wezen
Ai neem uw toevlugt tot ’t gebed,
’t Is God die Weeuw en Wezen red,
Hij wil Uw zware Breuk in Zijnen Zoon genezen.

top

p.301
Dat Amstels Raad de Spellen hindren,
Is blijdschap voor Gods dierb’ren Kind’ren
De tijd die roept ons tot geween,
Maar tot geen Kermis Ydelheen.

Jes 22 : 12/13 & 14.
De onvergenoegde Speeler.

Men smaad en scheld nu op de Fijnen
Men zegt, die hebben nu hun zin
En gij, Gij mist U w vuil gewin
Och ja! dit doed Uw deerlijk kwijnen
Maar Spelleman, koom, trek te veld
Daar wint Gij kleed’ren, kost en geld.
         1793

top

p.302
Op de Echtverbintenis van Dirk Bodekamp en Helena van der Bogt
den 26ste van Slagt - maand 1793.

p.303
Klink Dicht
Mijn Vriend heeft Hij die ’t Lot der Sterveling bestierd,
U in den Heilge Echt met van der Bogt doen treden?
Wijl ge in het Morgenuur dus t’zaam bevestigd wierd
k’neem deel in Uw geluk - Mijn wensch is en mijn bede
Dat ge dees Slagtmaands dag met blijder Harten vierd
Als Christenen betaamd - dat onderlinge vrede
Dat Liefde U op den duur met Godvrugt u vercierd;
Dat Heil, en dat geluk, deel Hij U beide meede
Hij spaar U bij elkaar, een lange reeks van Jaren,
Hij zegene Uw Beroep Hij hoede U voor gevaren
Dat ook Uw Huwelijksbed niet ongezegend zij
Vooral neem Sions - Vorst Zijn intrek in uw woning
Hij heersche er in uw Huis en beider Hert als Koning
En plaatse U naar den dood eens in der Seraphs - rij.

top

p.305
Wy, voor de Zeventiende keer,
Aanbiddend ’t Opperwezen weer
In’t plechtig Avond Bidstondswerk,
Ter Zesder Uur in de kerk.

17e Bedestond.
Woensdag - avond den 4de Xber 1793

Wij zijn ’t Gevaar nog niet te boven
Het Godverzakend Heilloos rot,
Dit en met God en godsdienst spot,
Gaat voord met Moorden, Plund’ren Rooven
Smeek God gij Volk dat Godsdienst eerd
Dat Hij dat Helsche woeden weerd.

top

p.306
De dood ontbind
mijn oude Vrind

p.307
Mijn Vriend Gij zijt nu afgelost,
Uw GOEL riep u van uw Post
Uw Borstkwaal, Zwakte, Zonden, Kruis
Blijft eeuwig buiten ’t Vader Huis.

Graf Schrift

Hier is dit Somb’re graf met eenen Man versierd;
Een Mumkes Goëls Vriend; die in zijn gantsche leven
Nadruk’lijk heeft getoond, hoe dat een Heilig beven
Dat uit ’t geloove spruit in Hem gevonden wierd:
Regtvaardig in zijn Hoofd Opregt in al zijn handel;
In leere zuiver en Ootmoedig in Zijn Wandel
Kortom een Voorbeeld dat men maar zo zeldzaam vind.

top

p.308
God trooste U Vrouw
in uwe Rouw

p.309
Een Hemelvaard is ’s Vroomen dood
‘Hun Heil is onwaardeerbaar groot,
Zij Zingen met dat Huisgezin
HALLELUJAH, eeuw uit, eeuw in

Overleden den Xber 1793.
Begraven den 31ste dito

Mijn Waarde Weduw vrouw, God wil uw breuke heelen
Uw Maaker is uw Man vertrouw dit en zijt stil:
Mijn Vriend moest lang genoeg in Smerte en Zwakheid delen
Keer U na JESUS toe berust toch in zijn Wil
En eind’lijk koomt de tijd ook eens van Uw ontbinden,
So Zult ge Uw Echtgenoot bij GOEL wedervinden.

top

p.310
Heer! hoed dit Jaar
ons voor gevaar.

p.311
Mijne Discipelen
God wil in’t Nieuwe Jaar U geven
Een Leerzaam en gehoorzaam Hert
Dat Oud’ren Eerd en dat uw leven
Tot Eer van God bevonden werd.

Psalm 78 : 4

Het jaar het laatse afgelopen
Dat was voorwaar , een Wonder Jaar:
God Neerlands Redder uit’t gevaar,
Zij eeuwig de Eer, wij willen hopen,
Dat Hij voords Land en Kerk bevrijd,
Uit lout’re Goedertierenheid.

top

p.313
Dank vast en Bedendag Woensdag Den 26ste February 1794.

Danken, Vasten Bidden, Smeken
Dat ’s O Jeugd! het Biddags werk
Lees toch wat ’s Lands Vad’ren spreken
Gaat Ootmoedig na de kerk
God alleen moet ons bewaren;
Neerland redden uit gevaren
Hij die is gedugt in magt,
Doe den trotschen Vijand beven,
En wil de Overwinning geven,
Dien, die op zijn Bijstand wagt.

top

p.314
Ter 18e Verjaaring van Mejufvrouw A.G.de Bull
voorgevallen den 13e Van
Wiedemaand
1794
NB ’t Vers op de volgende bladzijden.

p.315
Dat ’t avond werk mag Bidden heten
Dat geven God ons door zijn geest
Koom Jeugd meede op, wil nooit vergeten
God is ons Land tot Heil geweest

Op den 22ste Bedestond
Woensdag avond 7 Uren 21 Mei 1794

Neerlands God ! gij God der Goden!
Waaker voor ons Vaderland
Gij hebt ons Uw hulp geboeden;
Gaf in’t strijden onderstand
’t Fransche rot moest vlugten Sneeven:
LANDERECY zich overgeven
In den hand van Nassauws Held.
Heere God der Legerscharen!
Doet ons verder tog ervaren
Uwe hulp, in ’t Oorlogsveld.

top

p.317
Klink - dicht

Mejufvrouw en Vriendin, daar uw geboortedag
Op dit pas weer verscheid en Gij nu agttien Jaren
Des ouderdoms bereikt, zo spanne ik weer mijn snaren
In lof en dank tot God dat gij nog leven mag

Mijne Bee is thans en Ach! dat Zulks mijn oog eens zag!
Dat God U zijn genae, in kragt eens deed ervaren
Hij wil bij ’t tijdlijk Heil, dien besten Zegen paren
Ach dat gy U Herts - bestaan, voor Hem maar openlag

Leef lang in ’s Hemels gunst als Lid van Christus kerk
En neem in liefde ook aan dit godgeleerde Werk;
Waardoor ge uw kennis in de waarheid kond vermeeren
En is het nog Gods weg dat Hij mijn dagen rekt!
Zo zal ’t mijn blijdschap zijn, als ook mijn poging strekt
Tot Heil voor uwen geest, de Heer Zij dan al de Eere.

top

p.318
Is ’t Land in nood
Gods magt is groot.

p.319
Op de Extraordinaire Bede - dag

Rustdag den 10de Augustus 1794

HEER! zie in gunst op Neerland neer:
Ontferm U als gij deed wel eer:
Ai wild den Bid - geest geven
Dat op de aanstaande Sabbath - dag
Uw! Volk zoo’n toegang vinden mag,
Die ’s Vijands Hart doet beven.

top

p.320
Let HEERE let
op ’t Smeekgebed!

p.321
Beandwoor HEER de smeek gebeen!
Toon Zigtbaar Uw goedgunstigheen!
Laat ’t Rustdags en dit Bidstondswerk
Nog zijn tot Heil van Land en Kerk.

25ste Bedestond
Woensdag den 13 Augustus 1794.

Wat zag me in ’s Heeren Tempel Koomen!
Een groote t’zaam gevloeide schaar!
Om Neerlands God in ’t Openbaar
Te aanbidden nevens ’t Woord te hooren
Wel aan, volhard in den Gebeen,
Voor Kerk, voor Land voor overheen.

top

p.323
No 1 ’t Geloof veracht en List en Magt.

Verdeediging voor Land en Kerk
Manmoedig, dit is Godes werk
Getrouwheid wijs beleid en kragten,
Moet men alleen van God verwagten.

No 2
Het godlijk oog
Ziet van omhoog

Wat pooging ook word aangewend,
Zo Neerlands volk geen schuld erkend,
God billijkt, en met smeekgebeen
In Ootmoed koomt waar zal ’t dan heen?
No3
Den Tienden van den Herfst - maand,
Voor Amstels volk den weg weer baand,
Om plechtig, t’zaam in ’t Bidstondswerk
Te smeeken, HEER! hoed Land en Kerk.

top

p.324
Geen Kermis? neen:
hier past geween.

p.325
Dit jaar geen Spel, geen Kraam, geen Vreugd?
Hoe staat U dat wel aan O Jeugd!
Is Kermis dan wel Zonden?
Och ja! altoos en Och! was ’t waar!
Dat, daar wij zijn in ’t grootsch gevaar
Er Ootmoed wierd gevonden.
         1794

p.326
Uw Rechtehand
Heer ! red toch ’t Land
terug naar index